Posted on Leave a comment

De vloekende kapelaan

kapelaan_

De vloekende kapelaan

Een Anekdote door Dre Welsuit

1964, de gemeenschap werd  nog volledig gedicteerd door het katholicisme.

Voor de mensen in de dorpen werd nagedacht door de kerk en de staat, zodat ze dat zelf niet hoefden te doen. De meeste mensen waren daar tevreden mee omdat ze van niets anders wisten, maar er waren ook mensen die wél eens zelf nadachten. Deze mensen hadden het vaak moeilijk om hun mond te houden tegen de pastoor of zijn assistent, de kapelaan.

Door de week was het vaak hard werken en in het weekend mocht men was losser zijn en zelf bepalen wat men deed, echter pas nadat men op zaterdagnamiddag (zaterdag was een werkdag) naar de lof mis en op zondag naar de vroegmis gegaan was.

De gemeenschap werd volledig gedomineerd (het ingesloten woord dominee is wel grappig in deze katholieke context) door het geloof.



liefdesverdriet

Van jongs af aan werden de mensen opgevoed in een zeer strenge doctrine.

Geregeld moesten de mensen biechten, wat er op neerkwam dat ze  in een benauwend hokje tegen de pastoor vertelden wat ze allemaal mispeuterd hadden. Na enkele onzevadertjes of weesgegroetjes was dan alles weer in orde.

Zodoende wist de pastoor ook via deze biecht lijn, veel over wat er in de gemeenschap speelde.

De kinderen op school moesten, dagelijks uit de catechismus lezen, die men kan zien als een soort verkleinde bijbel. De oefeningen die in de catechismus stonden moesten dan ook regelmatig uit het hoofd geleerd worden zoals bijvoorbeeld de ‘oefening van geloof’ en de ‘oefening van berouw’ en van huis uit kreeg men de boodschap mee:”je zorgt maar dat je een goed cijfer haalt voor godsdienst, anders zwaait er wat”. Dit was vaak een pijnpunt voor kinderen die niet goed konden leren of voor kinderen die dyslectie hadden, een woord waarvan de gewone bevolking  in de jaren ’60 nog nooit gehoord had. Deze kinderen werden bestempeld als kinderen die niet wilden leren en kregen als ze ouder werden ook vaak de slechtste banen.



Yoga stap voor stap

De katholieke week.

Op maandagavond zongen de meeste jongens in zo’n kleine gemeenschap (verplicht) in het kerkkoor. De latijnse mis werd aangeleerd en volledig uit het hoofd gezongen door de kinderen die geen woord latijn begrepen en geen muzieknoot konden lezen.

Op dinsdag was er een vroegmis om half acht, die een half uurtje duurde want om 8 uur begon de naast de kerk gelegen lagere school.

Op dinsdag en donderdag avond mochten in de winter de kinderen gaan spelen in het dorpshuis, de avond van ‘het patronaat’ van de kerk, die de middelen verschafte zoals een biljarttafel, tafeltennis tafel en allerlei spulletjes om zich creatief mee bezig te houden.



Cursus Copywriting in 30 dagen

‘s woensdags kwam de pastoor langs op de lagere school en vertelde allerlei mooie verhalen uit de bijbel, die natuurlijk allemaal waar waren, want pastoors liegen nu eenmaal nooit.

Na de spannende verhalen mochten de kinderen ook vragen over het geloof stellen aan de pastoor en die gaf dan de meest merkwaardige antwoorden over zaken waar de kinderen nog nooit van gehoord hadden. Als de pastoor zelf geen antwoord kon vinden op de vragen van de kinderen, dan kwam regelmatig de opmerking naar voren:”gods wegen zijn ondoorgrondelijk”, wat door hem dan uitgelegd werd als:”dat weet alleen god”.

Op donderdag was er weer een vroegmis en om half acht  ‘s avonds ging men, zeker in de winter, ter ontspanning naar het patronaat.

Vrijdags was er meestal door de kinderrijke gezinnen in de dorpen wel een trouwfeest of een begrafenis, die natuurlijk in de kerk plaats vonden.

Van de grote kinderrijke gezinnen  werd verwacht dat er tenminste ééntje misdienaar werd, zodat de pastoor altijd (gratis) assistentie had tijdens de mis.

‘s zaterdags was er in de namiddag een korte kerkdienst genaamd ‘het lof’.

Op zondag ging men naar de vroeg of laat mis.

De vroegmis was voor ‘de goede mensen’ en begon op zondag om 08.00 uur, en de laatmis was voor de mensen die het wat beter hadden, de middenstand en de mensen die laat hadden moeten werken zoals verpleegsters, agenten mensen in de horeca en dergelijke beroepen.

Daarom begon de laatmis pas om 10.00 uur ‘s ochtends en voor de mensen die altijd naar de vroegmis gingen was dat de mis voor de luiaards die altijd ‘zo lang sliepen’.

Voornamelijk in de winter werd er op zondag een ‘stomme’ film gedraaid in het dorpshuis, uitgaande van de kerk die vooraf keurde of de film ‘wel kon’, volgens het geloof.

Meestal werd het dan ook een film in zwart-wit (stom= zonder gesproken woord en met pianobegeleiding) van bijvoorbeeld charley chaplin of de comedy capers.

Bijna niemand had in die dagen thuis televisie, dus gezamenlijk film kijken was elke week weer een belevenis.

Als men niet als buitenbeentje aangemerkt wilde worden moest men wel altijd de pastoor gelijk geven, dat was ook belangrijk omdat de pastoor er vaak voor zorgde dat mensen een baan hadden binnen de gemeenschap. De pastoor vond het altijd beter om mensen binnen de gemeenschap aan het werk te houden, dan erbuiten, in verband met complicaties door ander gedachtengoed.

Het was niet denkbaar dat een katholieke timmerman, voor de protestantse aannemer in het naburige dorp zou werken.

De kapelaan

Het was midden in de zomer, juli 1964, een zeer warme dag met veel zonneschijn en geen wind.

Johan, een jongetje van 8 jaar oud was buiten aan het spelen, helemaal alleen, in het dorpje waar hij woonde.

In het kinderrijke katholieke dorpje waren op dat moment geen andere kinderen op straat.

Johan had de kapelaan zien aankomen op zijn fiets. Hij ging naar een van de pubers in de buurt

die aangegeven had dat hij pastoor wilde worden. Meestal werd een van de boerenzoons pastoor, maar soms was er plaats voor iemand van het ‘gewone’ volk als bleek dat zo iemand bovenmatig intelligent was en graag pastoor wilde worden. Maar wat graag gaven de pastoor en de kapelaan voorlichting over de studie en alles wat er mee te maken had.

Terwijl Johan buiten aan het oefenen was met zijn knikkers die hard weggeschoten moesten worden om andere knikkers te verslaan tijdens de knikkerspelletjes met andere kinderen. Hoe beter men kon knikkeren immers, hoe meer knikkers men had.

Tijdens het oefenen schoot een van de knikkers de verkeerde kant op en schoot onder de heg van een van de buren van Johan, die Johan natuurlijk terug ‘moest en zou’ hebben.

Terwijl Johan aan het zoeken was, kwam de kapelaan naar buiten, nam afscheid van de buren en liep naar zijn fiets.

kapelaan

Johan had altijd iets engs gevonden aan mannen in lange zwarte jurken en was altijd een beetje argwanend als ze hem aanspraken.

De kapelaan sprong op zijn fiets en wilde aanzetten om te vertrekken, maar op dat moment was de ketting van zijn fiets losgeraakt en tussen zijn bagagedrager en het wiel, klem komen te zitten.

Uit alle macht trok de kapelaan aan de ketting, die geen millimeter meegaf. Hoe meer hij aan de ketting trok,hoe vaster hij kwam te zitten en  hoe driftiger de kapelaan werd. Plotseling begon hij kei en kei hard te vloeken terwijl hij wild tegen zijn fiets aan schopte.

Godver, godver de godver***me. God, god, god gloeiende godver***me raasde de kappelaan tegen zijn fiets zeker vijf minuten lang, terwijl Johan aan de andere kant van de heg met open mond van verbazing zat te luisteren en te kijken naar de kapelaan.

Omdat het niet lukte om de ketting weer op zijn plaats te krijgen, liep de kapelaan te voet , zijn fiets al vloekend meezeulend, weg.

Johan ging naar huis en vertelde wat hij gehoord en gezien had tegen zijn moeder.

Dat kon niet waar zijn vond zijn streng religieuze moeder. Kapelaans vloeken nu eenmaal niet.

“Johan, dat zul je wel verkeerd gehoord hebben”, zei Johan’s moeder.

“Denk erom dat je dit verhaal nooit meer tegen iemand verteld, anders zwaait er wat”.



Welkom bij Nihonsport.nl

Johan heeft het verhaal nooit meer tegen iemand verteld en is katholiek gebleven tot hij volwassen was, voornamelijk omdat hij anders geen zakgeld meer kreeg op zondag.

Eenmaal volwassen heeft hij na veel nadenken, mede door andere gebeurtenissen in zijn leven, het katholieke geloof vaarwel gezegd.

Posted on Leave a comment

Pel de dronken kikker

dronken kikker

 Pel de dronken kikker

Een sprookje door Dre Welsuit

Hij was voornamelijk te vinden aan de rand van de sloot van het dorp, de groene kikker Pelophylax  of zoals zijn vriendjes hem noemden omdat ze het een moeilijke naam vonden, Pel.

Pel was geboren aan de rand van het dorp in een klein huisje waar ook zijn vader en moeder en zijn veertien broertjes en achttien zusjes woonden.

Het was natuurlijk altijd erg druk in huize Pel vooral als er gegeten werd.

De moeder van Pel zorgde altijd voor grote borden met  insecten die Pel en zijn broers en zussen maar wat graag aten en als er een feestje of een verjaardag was dan kregen ze vaak ook nog extra wormpjes of als toetje een duizendpoot te eten.

Pel was eigenlijk een heel lieve kikker die altijd graag iedereen in het dorp hielp.

Hij hielp oude kikkermevrouwtjes met het oversteken maar ook kinderkikkertjes als ze uit school kwamen. Hij hielp de bakker met het rondbrengen van het kikkerbrood en als iemand zijn fiets kapot was, hielp hij de fietsenmaker met de fiets  repareren want Pel was naast erg lief, ook heel handig.

Met zijn kleine voorpootjes gaf hij dan de steeksleutel of de baco schroevendraaier aan(materialen die een fietsenmaker gebruikt om een fiets te repareren), aan Flip de fietsenmaker (die eigenlijk Filipeus Moraleas Reparandus heette) die dagelijks vele lekke banden plakte.

Flip was maar wat blij met de hulp van Pel maar ook de bakker en de ouders van de schoolgaande kindertjes waren heel tevreden over hem.



Liefdesverdriet

Toen Pel een puber werd van ongeveer 14 jaar, gebeurde er iets vreemd met hem.

Hij had namelijk langs de weg een fles wijn gevonden en had die omdat hij vond dat de wijn zo lekker was, helemaal leeg gedronken.

Dronken als hij was veranderde hij van een lieve kikker in een heel erg vervelende kikker.

Hij spatte kikkers  nat die in hun mooie  kleren op zondag voorbijgefietst kwamen door keihard in een plas te springen naast hun fiets, waardoor hun mooie kleren vies werden.

Hij gooide het brood van de bakker gewoon in de sloot en bracht het niet naar de kikkers die het besteld hadden bij de bakker. Hij schold andere kikkers uit en wilde naar niemand meer luisteren, ook niet naar zijn ouders.

Nadat hij de eerste keer wijn proefde wilde Pel steeds meer en meer. Hij was verslaafd geraakt aan wijn en al zijn spaargeld gaf hij uit aan flessen wijn, waarna hij na het drinken weer erg vervelend werd in het dorp. De kikkers spaken er schande van. Soms viel hij midden op het dorpsplein in slaap en lag daar snurkend zijn roes uit te slapen of kwaakte midden in de nacht het hele dorp wakker.

Op een dag was hij boven op het dak van de kerk gesprongen en gooide vanaf het dak alle dakpannen naar beneden, naar de kikkers die op het kerkplein stonden. Daar ging Pel natuurlijk te ver. De pastoor die erg boos was op Pel riep de hulp in van Pils de agent met de merkwaardige naam (Pils was een afkoring van zijn naam Pilotus Ignatius Leonardus Servitutus) en die gaf het bevel aan Pel om naar beneden te komen, maar…. als hij gedronken had, luisterde Pel naar niemand dus ook niet naar agent Pils.

Toen het niet lukte om Pel naar beneden te krijgen, waarschuwde Pils de burgemeester.

De burgemeester begreep onmiddellijk het gevaar en gaf brandweerman Jerry Kan de opdracht om met de brandweerauto naar de kerk te rijden en met de lange ladder van de brandweerauto tot aan het dak van de kerk te reiken.

Met loeiende sirene kwam Jerry aangereden en schoof de ladder van de brandweerauto uit tot bij het dak.

Pel was inmiddels moe geworden van het gooien met dakpannen en was op het dak in slaap gevallen.

Veldwachter Pils klom op de ladder en sprong op het dak van de kerk en deed Pel onmiddellijk de handboeien aan en nam hem mee naar beneden.

De kikkers uit het dorp waren heel erg boos en riepen:”in het cachot met hem, in het cachot met hem”, wat betekent dat ze wilden dat Pel naar de gevangenis moest.

Pils nam Pel mee naar het bureau en sloot hem op in de gevangenis.

De volgende dag moest Pel bij de rechter komenen die vond het zo verschrikkelijk wat Pel gedaan had, dat hij hem veroordeelde tot 2 jaar gevangenisstraf.

Pel die al een enorme hoofdpijn had van het vele drinken snapte het eerst niet goed, maar de volgende dag werd het hem duidelijk. Hij zou 2 jaar lang niet meer van de zon kunnen genieten, 2 jaar lang niet meer lekkere vliegjes, spinnen of muggen kunnen eten, laat staan lekkere wormpjes of duizendpoten als toetje krijgen.

In de gevangenis had Pel heel veel tijd om na te denken  over wat hij gedaan had, vervelend doen tegen de kikkers in het dorp, kapot maken van spullen, het gooien van de dakpannen van de kerk. Hoe meer hij er over nadacht, hoe meer spijt hij kreeg.



Baby slaapgeheimen, oplossingen voor vermoeide ouders

In de gevangenis was het erg eenzaam. Drie keer op een dag kreeg Pel te eten van agent Pils, maar dit was altijd alleen maar water en brood. Nooit iets lekkers.

Af en toe kreeg hij bezoek van een rat die in de buurt van de gevangenis woonde en die geregeld kwam kijken of er nog wat brood over was. Herbert de rat werd na enige tijd het enige vriendje die Pel nog had en samen zaten ze vaak urenlang ter praten in de cel van Pel over van alles en nog wat, maar als Herbert Pils hoorde aankomen rende hij vlug weg en was Pel weer een tijdlang helemaal alleen.

Na 2 jaar in de gevangenis van het kikkerdorp, werd Pel eindelijk weer vrijgelaten door agent pils. Wat was hij blij, meteen hopte hij naar de sloot aan de rand van het dorp en deed zich te goed aan allerlei lekkernijen zoals spinnen en muggen en tot zijn grote geluk vond hij ook nog een duizendpoot als toetje.

Toen hij terugging naar het dorp zag hij langs de kant van de weg een fles wijn liggen die half leeg was. Wat zou hij doen? Proeven, een klein beetje maar? Maar nee, Pel had zijn lesje wel geleerd en wilde nooit meer terug in de gevangenis dus pakte hij de fles wijn en kipte hem helemaal leeg langs de weg in het gras en deed vervolgens de fles in de afvalbak in het dorp. De volgende tijd bewees Pel dat hij altijd weer de lieve kikker was die hij altijd al geweest was als hij niet gedronken had. Hij hielp weer de bakker en de fietsenmaker en hielp oude kikkerdametjes oversteken en schoolkikkerkindertjes, zoals hij dat voorheen ook altijd al gedaan had.

Op een dag lag hij weer langs de kant van de sloot nadat hij lekker gegeten had en viel in slaap. Plotseling kwam er een grote schaduw over hem heen. Het was de schaduw van een grote reiger, en zoals iedereen weet, reigers zijn vogels die graag kikkers eten.

De reiger sloop stilletjes dichterbij, voetje voor voetje euh…. eigenlijk pootje voor pootje, kwam de reiger naderbij geslopen en hapte plotseling naar Pel. Op het moment dat hij hapte krijste hij het uit van pijn waardoor Pel wakker schrok en direct wegsprong. Wat was er gebeurd?

Herbert de rat had gezien dat zijn vriendje Pel in gevaar was en was vlug achter de reiger aangelopen. Op het moment dat de reiger Pel wilde opeten, beet Herbert de reiger keihard in zijn poot waardoor de reiger krijste van pijn en snel wegvloog.

Pel en Herbert zijn door hun belevenissen in de gevangenis van kikkerdorp, en doordat Herbert Pel zijn leven gered had, voor altijd vriendjes gebleven.

Posted on Leave a comment

Petit Paris

wijn

Petit Paris 

Een kort verhaal

door Dre Welsuit

wijnFons Hermans dacht weer aan Susan Buyse. Susan was een prachtige verschijning, ogen waaruit een jeugdige  vurige energie straalde een figuurtje om door een ringetje te halen en prachtig golvend donker haar waar een glanzende gloed overheen scheen. Suzan was blakend van gezondheid en straalde een sprankelende energie uit.

Fons zat achterover geleund in zijn fauteuil en dacht na over zijn leven. Zijn buitenechtelijke affaire met Hella, iets wat hem heel zijn verdere leven bezig gehouden had. Hij was verknocht aan Petit Paris zoals men IJzendijke ook wel noemde om de vele café’s die IJzendijke rond het jaar 1900 had. IJzendijke met haar prachtige molen, het ravelijn, de vriendelijke mensen en de prachtige omgeving.

Ze zou deze avond weer langs komen, Suzan van wie hij altijd al gehouden had, die hij van dicht bij als baby al had zien opgroeien  en voor wie hij alles wilde doen. Suzan was opgegroeid in het gezin van Hella en haar man Willy. Willy was op vrij jonge leeftijd overleden en Hella was van kinds af aan bevriend  geweest met Carolien, de echtgenote van  Fons van wie hij na een kinderloos huwelijk na 10 jaar,  gescheiden was. Niet omdat ze kinderloos waren, maar omdat ze niet de gemeenschappelijke interesse hadden waarvan voorheen ze dachten dat ze die wél hadden. In goed overleg waren ze dan ook uit elkaar gegaan.

Fons slikte. Hij had naar zijn eigen spiegelbeeld gekeken. Het was alsof hij zichzelf weer zag als jonge twintiger, sprankelende ogen en gezond blinkend donker haar. Als leraar wiskunde werkte hij aan het Zwin college in Oostburg waar hij werd gerespecteerd door zowel de collega’s leraren als de leerlingen

Maar ook al was hij een geliefd persoon, bij hem zelf bleef zijn affaire uit het verleden aan hem knagen, wat hij uiteraard aan niemand vertelde.

Suzan kwam graag langs bij Fons, ze kende hem al sedert haar vroege jeugd, vertrouwde hem volledig en omdat de aardige en altijd hulpvaardige Fons er ook nog eens goed uitzag voor zijn leeftijd (in de ogen van Suzan), was zij stiekem verliefd op hem geworden wat reeds zo was sinds de pubertijd van Suzan. Natuurlijk had zij daar nooit over gesproken met haar moeder en zeker niet met Fons.

Op de middelbare school had Fons haar vaak na schooltijd geholpen met wiskunde, wat hij graag deed voor haar.

De maan scheen door de ramen als een licht gloeiende lamp, waardoor Fons kalm werd. Hij tikte de as van zijn sigaar rustig af in de asbak die voor hem stond en nam nog een slok van zijn glaasje Bordeaux.

De bel ging en Fons wist dat het Suzan was omdat ze om deze tijd afgesproken hadden.

Susan kwam binnen met haar ontwapenende lach en ging zitten op de rand van de zetel waar Fons zojuist nog in gezeten had.

Ze keken elkaar met gemengde gevoelens aan, zoals twee verliefde mensen,  tijdens een zeer romantische Valentijns maaltijd, met orkestmuziek op de achtergrond.

Fons bestudeerde Susan’s uiterlijk en uiteindelijk haalde hij diep adem. ‘Het spijt me,’ begon Fons verontschuldigend, ‘maar ik ben je een verklaring schuldig, en ik begrijp dat je me nooit weer zult willen zien.

Suzan’s mond viel wijd open en haar opengesperde ogen keken hem met verbazing aan, wachtend op een verdere uitleg.

Susan zag er plotseling gespannen uit, maar wat Fons haar te vertellen had, aan die mogelijkheid had ze nooit,  ook maar een moment  gedacht.

Fons keek haar aan, nog steeds kalm  en ving nog steeds haar strak gespannen blik op. Toen moest het er uit, na jaren van opgekropt sentiment en angst voor dit moment.

‘Susan, ik ben je vader’, zei Fons.

Fons kon de verwarring in Susans  ogen lezen, het ongeloof, de onwil tot acceptatie, misschien het bedrog, Wat was het?

“Suzan, praat er over met je moeder, ze zal het verder uitleggen en je bent welkom als altijd” zei Fons met trillende stem en opwellende tranen in zijn ogen.

Zonder een woord te zeggen, verward, verdrietig en gedesillusioneerd verliet Suzan het huis van Fons….



















Posted on Leave a comment

De vermiste baby

de vermiste baby

De vermiste baby


de vermiste baby

Ze waren toe aan vakantie, Ute en Dietrich een jong stel uit Keulen in Duitsland.

Dietrich was stratenmaker en Ute werkte als serveerster in een café met uitzicht op de rivier de Rijn, waar dagelijks binnenvaartschepen en jachten passeerden alsook vele wandelaars en fietsers op de dagen dat het weer goed was.

Kort voor haar zwangerschap was Ute’s moeder overleden en toen ze zwanger werd, was het net alsof “iets” in haar zei, dat de geest van haar moeder zou voortleven in haar baby.

Ute hield van uitgaan en dansen, naar andere steden gaan, winkelen en reizen, voor zover dat mogelijk was, financieel gezien.

Dietrich was meer een gamer en een thuiszitter, maar hij sloot zich bijna altijd aan bij de wens van Ute om ergens heen te gaan.

Ute en Dietrich woonden in een eenvoudig, niet te duur appartementje, aan de rand van de binnenstad van Keulen. Alle winkels en horecagelegenheden waren binnen ‘handbereik’.

Als ze geen zin hadden om te koken waren er alternatieven genoeg zoals de Imbiss om de hoek, de Mexicaan, het Turkse afhaal restaurantje en vele andere zowel Duitse als buitenlandse zaakjes waar een keur aan afhaal-gerechten gehaald of thuisbezorgd kon worden.

Voordat het te verwachten drukke seizoen aanbrak voor het café waar Ute werkte, wilde ze nog een weekje met vakantie, niet te ver weg, Holland was niet zo ver en zo kwam het dat na enig gespeur op het internet, een vakantie huisje in Nieuwvliet werd geboekt en de voorbereidingen voor de vakantie van start waren gegaan. Met het nieuwe huisgenootje was het leven wel een ietsje complexer geworden, maar daar werd niet al te zwaar aan getild.

De bevalling was zwaar geweest, Anna-Rose was geboren met behulp van de keizersnee en Ute had weken nodig gehad om weer een beetje op krachten te komen.

Vol goede moed om de nare herinneringen van de laatste tijd, gemengd met de vrolijke gebeurtenis van de geboorte van hun baby trokken ze naar Nieuwvliet naar het huisje dat ze voor de duur van een week gehuurd hadden.

Anna-Rose was een vrolijke mooie baby en sliep voorbeeldig op de momenten dat dat voor een baby nodig was en huilde alleen om haar ouders te laten merken dat ze honger had.

Zowel Ute als Dietrich waren dol op de baby en vele uren werd het kindje dan ook bewonderd door beide jonge ouders.

Uiteraard ging de baby overal mee naar toe, maar was nog te klein om zelf te spelen dus werd ze vervoerd in de maxi-cosi, wat een handig vervoermiddel is voor baby’s van haar leeftijd.

Enkele dagen hadden Ute en Dietrich al genoten van het mooie weer in Zeeland en van het strand bij Nieuwvliet wat op dit moment in het voorseizoen in Mei, nog niet te druk was.

Na enige dagen besloten ze naar het dorpje Cadzand te gaan om eens te zien wat daar te beleven was. Ze wisten door de folders die ze in het gehuurde huisje hadden gelezen, dat Cadzand-bad aan zee lag en dat er ook brede stranden waren, dus togen ze van Nieuwvliet, met de auto van Ute’s vader, naar Cadzand-Bad.

Ze kwamen terecht vlakbij de Zwin-Hoeve, een camping tussen Cadzand en Retranchement.

De auto werd geparkeerd en het parasolletje werd aan de maxi-cosi bevestigd en zo gingen ze over het duinpad naar het strand in het natuurgebied ‘het Zwin’.

<ahref=”https://ds1.nl/c/?si=7887&li=1412237&wi=345750&ws=” target=”_blank” rel=”noopener sponsored”>

Het was een heerlijke dag, met volop zon, rustig weer en heerlijk warm water, voor de tijd van het jaar.

Ze hadden de zelfgemaakte lekkernijen uit het picknick mandje gegeten en Anna-Rose had haar flesje helemaal leeggedronken en lag rustig en vredig te slapen, beschermd tegen de zon door het parasolletje dat aan de maxi-cosi vastzat.

Ute had wat liggen lezen in een Nederlands tijdschrift, waar ze slechts de helft van begreep omdat ze geen Nederlands sprak en Dietrich was nadat hij een tijdlang ‘gebakken’ was in de zon, begonnen met het spelen van een spelletje op zijn I-phone.

Na enkele uren op het stand te zijn geweest, vonden ze het tijd om weer naar het vakantiehuisje te gaan en de spulletjes werden bijeengeraapt en terwijl ze in een heftige discussie verzeild geraakten

togen ze huiswaarts.

De intensieve conversatie duurde voort tot ze bij het huisje aangekomen waren en eenmaal in het vakantiehuis sloeg de schrik bij Ute om het hart.

Waar was Anna-Rose?

Door het drukke gesprek, waren ze helemaal vergeten de baby mee te nemen!

Huilend vertelde ze aan Dietrich dat Anne-|Rose nog in Cadzand moest zijn en daarop renden beiden naar de auto en vlogen, zich schuldig makend aan enkele behoorlijke snelheidsovertredingen richting Cadzand.

Intussen op het strand

Een ouder Nederlands stelletje had evenals Ute en Dietrich een aangename middag doorgebracht op het strand in natuurgebied het Zwin bij Cadzand.

Toen ze de spulletjes bij elkaar gezocht hadden om huiswaarts te keren, viel het hun op dat er een kindje, helemaal alleen op het strand in een maxi-cosi lag te slapen. Enige tijd daarvoor hadden ze nog wel mensen gezien, waarvan ze eerst dachten dat het de ouders waren, maar deze waren nergens te bekennen en ze wisten ook niet zeker of het de ouders wel waren.

Ze bleven nog een half uurtje langer dan gepland op het strand en mogelijke ouders van het kindje waren niet te zien.

Daarom besloten ze het kindje mee te nemen en gingen ermee naar het restaurant aan de andere kant van het duin, dat vlakbij was.

De eigenaar van het restaurant werd op de hoogste gesteld van het voorval en de Anne-Rose was inmiddels wakker geworden en scheen zich aardig te amuseren met het oudere echtpaar.

Deze oudere mensen zeiden “we wachten nog een half uurtje en als er dan niemand om het kindje komt, dan nemen we het mee naar het politie bureau in Oostburg.

Inmiddels bij de camping aangekomen renden Ute en Dietrich om het hardst naar de overkant van het duin, waar ze de middag doorgebracht hadden.

Tot hun grote schrik, was de baby verdwenen.

Vertwijfeld en diep geëmotioneerd probeerden ze aan de overgebleven mensen op het strand duidelijk te maken dat hun baby verdwenen was, in het gebrekkige Duits-half-Nederlands dat ze machtig waren.

Niemand had echter de baby gezien.

Radeloos keerden ze terug naar de auto maar als door een ingeving zei Dieter, kom we gaan even langs het restaurant om te vragen of iemand iets van Anna-Rose gezien of gehoord heeft alvorens we naar het politiebureau gaan om aangifte van vermissing te doen.

Ze stapten het restaurant binnen en wie zat daar, vrolijk kraaiend en spelend met een inmiddels verworven knuffel?

Ute schreeuwde haar naam huilend uit en rende naar de maxi-cosi en pakte Anna-Rose uit de maxi-cosi en drukte haar stevig tegen zich aan, terwijl de tranen van haar wangen op het kindje vielen.

de vermiste baby met moeder

Na een moeilijke conversatie met het oudere echtpaar die deze mensen ‘s middags met de baby op het strand gezien hadden en die Anna-Rose in veiligheid gebracht hadden en duizend maal bedankt te hebben gezegd, keerden Ute en Dietrich met rode gezichten van schaamte en van blijdschap en met Anna-Rose, terug naar hun vakantie woning in Nieuwvliet.

Posted on Leave a comment

Mehmet en Mahraj

Mehmet en Mahraj

Enkele tientallen jaren geleden leefde er in Algerije in het bergdorpje  Beni Yeni, een jongetje dat Mehmet heette.

Mehmet was een jongetje van 8 jaar en groeide op in een typische berber familie waarin de grootste rijkdom van de familie bestond uit Mehmet, zijn 3 broers en zijn 7 zussen.

De familie had niet veel bezittingen buiten de 5 geiten een klein stukje land dat net genoeg opleverde om met de familie van te kunnen leven, en een hond.

Mehmet werd als enige ( en tevens jongste lid van de familie ) gezien als een intelligent jongetje.

Vaak als hij in gesprek was met zijn ouders of broers en zussen, maakt hij als klein kind reeds opmerkingen die men alleen van volwassenen verwachte.

Geen enkele van de kinderen was ooit naar school geweest en ze leefden allemaal het eenvoudige leven in Beni Yeni dat al honderden jaren zo bestond.

De ouders van Mehmet hadden besloten dat Mehmet naar school zou moeten gaan, wat niet eenvoudig was want de dichtstbijzijnde school lag op anderhalf uur lopen van het bergdorp.

Toch waren de ouders vastberaden dat Mehmet naar school zou gaan en zo gebeurde het ook.

De eerste paar keer dat Mehmet naar school moest, werd hij vergezeld door zijn oudste broer en na een paar keer wist hij alleen de weg wel te vinden en in het  vervolg ging hij dan ook alleen naar school.

Thuisgekomen vertelde hij zijn ouders en broers en zussen over wat hij gedaan had op school. Hij leerde er lezen en schrijven, wat niemand in de familie kon. Ook rekenen en aardrijkskunde. De familie vond het eigenlijk maar een beetje raar, want wat heb je nu aan aardrijkskunde en waarom moest je kunnen rekenen.

Belangrijker was het om te weten welke groenten je moest planten om op tijd te kunnen oogsten en hoe je een geit moest slachten en hoe je het vlees het beste kunt bewaren en wat je allemaal met de melk kunt doen.

Ook al gaf zijn famile er niets om, Mehmet leerde graag en ging graag naar school, waar hij al snel nieuwe vriendjes had.

Op een dag werd en ‘in de familie’ een geitje geboren. Het diertje was vanaf de eerste minuut al bijzonder in de ogen van Mehmet, die bij de geboorte aanwezig was geweest.

“Papa, mag ik hem hebben?”, smeekte Mehmet zijn vader. Omdat Mehmet de jongste was streek Mehmet’s vader over zijn hart en zei: ”Ok je mag hem hebben, maar je moet er goed voor zorgen.”

Mehmet was maar wat in zijn nopjes met zijn geitje en noemde het geitje “Mahraj”, wat zoiets als grappenmaker betekende.

Elke dag zorgde Mehmet voor Mahraj, gaf hem te eten en gaf hem elke dag een beetje extra melk, wat eigenlijk niet mocht van zijn vader, maar ja, het was nu eenmaal zijn favoriet.

Mahraj maakte de gekste sprongetjes en mekkerde met een heel apart geluid, dat direct door iedereen te herkennen was. Ook Mahraj had als favoriete verzorger Mehmet, wat niet te verwonderen was natuurlijk.

Soms kwam Mahraj even binnen kijken met zijn kop net voorbij de deur om te zien waar Mehmet was, maar hij mocht natuurlijk niet binnen in huis komen.

Na de zomer vakantie waarin Mahraj geboren was, moest Mehmet weer naar school en Mehmet die gewoonlijk in de weide vlak bij het huis liep, achtervolgde Mehmet toen hij naar school liep.

De vader van Mehmet liep achter hem aan en haalde Mahraj terug naar huis. Enige tijd later was Mahraj verdwenen. Toen Mehmet in de namiddag naar huis kwam, liep Mahraj vrolijk etend en springend naast hem.

“Mahraj is mij gevolgd, helemaal naar school,” Vertelde Mehmet aan zijn ouders die erg verbaasd waren.



Mahraj moet wel thuisblijven terwijl jij naar school gaat zeiden zijn ouders en de volgende dag hielden ze Mahrai vast tot Mehmet uit het zicht verdwenen was. Daarna lieten ze hem los in de wei en enige tijd later was Mahraj weer verdwenen. Dit gebeurde zo enkele dagen en elke dag kwam Mehmet met mahraj uit school naar huis, wat zijn ouders bleef verbazen. Het leek wel een hond, deze geit die zo trouw zijn baasje volgde.

Inmiddels was Mehmet 12 jaar geworden en de volgende dag was de trouwdag van zijn zus Fatma.

De familie van Fatma en haar aanstaande man waren overeengekomen dat het bruiloftsfeest bij Mehmet thuis gehouden zou worden omdat de man van Fatma ver weg woonde.

Alle voorbereidingen waren getroffen om een vrolijk feest te houden, zoals de kleding die speciaal voor deze gelegenheid gemaakt werd, het eten en het drinken werd in overvloed klaargezet voor deze ene keer.

Iedereen was in een opperbest humeur, behalve Mehmet.

Mehmet was namelijk Mahraj kwijt. Overal had hij al gezocht in en om het huis, in de weide, verderop de berg op, nergens was Mahraj. Triest en vertwijfeld ging hij naar zijn vader om te vertellen dat Mahraj kwijt was. “Die komt wel terecht” zei zijn vader, mischien is hij alleen naar jouw school gelopen, “we zullen wel zien”. “Ga maar buiten spelen want nu heb ik het te druk met de voorbereidingen voor de bruiloft van morgen.“

De volgende dag was de bruilofte en het was een reuze gezellig feest voor iedereen, behalve voor Mehmet.

Mehmet die de hele dag had lopen zoeken naar Mahraj, kon hem nergens vinden, hij was zelfs al tot aan school gelopen, maar geen Mahraj.

Tijdens de bruiloft mocht hij zijn ouders niet lastig vallen want die hadden het te druk met feesten.

De dag na de bruiloft zei Mehmet’s vader. “ik zal eens helpen zoeken” en samen met Mehmet zochten ze de hele omgeving af, terwijl zijn vader hem af en toe met een medelijdende blik aankeek.

“Misschien is hij van de berg gevallen of aangevallen door een wild dier,” Zei de vader van Mehmet.

“Ik weet het ook niet meer maar we moeten naar huis.”

Vanaf die dag ging Mehmet alleen naar school zonder Mahraj.

Het heeft nog vele jaren geduurd eer Mehmet in de gaten kreeg, waar Mahraj, een dag voor de bruiloft van Fatma, gebleven was.

Posted on Leave a comment

De gestreepte koningin

de gestreepte koningin

De gestreepte koningin

door Dre Welsuit

 

 

 

Zie het hoppen van de koningin

Is ze verliefd of boos?

Ze vindt het moeilijk om de kelk te zien

Overschaduwd door het blad

Wie is dat drijvend nabij de nectar?

Ik denk dat ze de vrucht wil proeven

Ze  zoemt maar vrolijk

Bewonderd als ze op een stamper zit

Haar charmante lach is slechts een schijn

Ze  heeft geen dienaar nodig

Al is ze  niet alleen

ze brengt een volk mee,

Het volk is om te dienen

Wist men maar waarvoor

De koningin besluit weer heen te gaan

Het volk volgt willig en gedwee

Posted on Leave a comment

Het Twaalfje Mila

twaalfje
Het twaalfje Mila Een sprookje door Dre Welsuit twaalfjeMisschien heb je ooit wel eens gehoord van het dorpje ‘Nummer Een’. Nummer Een is een dorpje dat ligt aan de Westerschelde tussen Breskens en Hoofdplaat. Vroeger woonden daar grote gezinnen met in totaal ongeveer 300 mensen, tegenwoordig wonen er nog hooguit 100 mensen en dat komt doordat veel van de huizen tegenwoordig het eigendom van toeristen zijn, mensen die daar alleen wonen als ze vakantie hebben.

De man van je dromen krijgen

Waar je misschien nog nooit van gehoord hebt, zijn de twaalfjes. De meeste mensen kennen wel de elfjes uit verhalen van de kerstman en bijvoorbeeld het sprookje van Peter Pan, maar de twaalfjes, daar heeft nog bijna niemand van gehoord. Hoe komt dat? De twaalfje zijn lieve en aardige wezentjes en kunnen net zoveel als de elfjes maar… ze kunnen niet zo snel vliegen als de elfjes, tenminste tot nu toe. Bovendien zijn twaalfjes heel erg verlegen. Mila was een meisjes-twaalfje of een twaalfjes-meisje, ja hoe noem je zo’n twaalfje eigenlijk? In ieder geval was ze jong lief en aardig zoals ook haar vriendinnetjes in wat zij zelf noemden het twaalfjes bos. Het twaalfjes bos is het bos dat vlak bij Nummer Een ligt. Omdat de gewone mensen hun toch niet kunnen horen of zien, kunnen de twaalfjes roepen en schreeuwen wat ze maar willen. Ze maken heel luide muziek op hun gitaren en hun keyboards en vooral veel op hun trommels, waarvan ze er heel veel hebben. Ja, de twaalfjes zijn een muzikaal volkje en ze beleven heel veel plezier aan het maken van muziek. De gewone mensen kunnen hun niet horen of zien behalve als de twaalfjes dat willen, maar honden en katten kunnen de twaalfjes wél horen en zien. Vandaar dat in Nummer Een, soms midden in de nacht een hond begint te blaffen als er weer een twaalfjes feest begint in het bos, of dat een poes heel onrustig wordt en naar buiten wil om te gaan kijken. Mila en haar familie van twaalfjes waren heel tevreden en gelukkig maar er was één ding waarmee ze niet zo blij waren. In alle verhalen van de kerstman, tot allerlei sprookjes zoals Peter Pan, werden de elfjes geroepen als er hulp nodig was. De Elfjes kunnen nu eenmaal razendsnel vliegen en daarmee kunnen ze natuurlijk best iedereen helpen die ze maar willen. Omdat de twaalfjes niet zo snel zijn, werden ze bijna nooit  gevraagd door wie dan ook om te komen helpen terwijl dat hetgeen was wat ze het liefste deden, helpen. Als er ergens problemen waren dan vlogen de elfjes er razendsnel heen en hielpen de mensen en dieren met hun problemen want  ja, elfjes kunnen ook met de dieren praten. Tegen de tijd dat de twaalfjes aankwamen om ook te helpen, waren de problemen meestal al opgelost door de elfjes. Natuurlijk was dat ook lief van de elfjes maar de twaalfjes vonden het niet altijd leuk dat ze niet meer konden helpen. Zo was er in het verleden een hondje met zijn pootje in  prikkeldraad vast komen te zitten. De eigenaar van het hondje was zijn hondje kwijtgeraakt in het bos waar de twaalfjes wonen en was na lang zoeken naar huis gegaan. De elfjes waren alweer aan het helpen toen de twaalfjes aankwamen in hun eigen bos notabene. Met een grote vijl waren ze met elf elfjes aan het vijlen aan de ijzerdraad waar het hondje mee vast zat en net toen de twaalfjes aankwamen, brak de ijzerdraad en kon het hondje weer vrij rondlopen. Oh, ‘dank jullie wel elfjes’ riep het hondje, dat van plezier in het rond rende en gekke bokken sprongetjes maakte. ‘kom, we brengen je naar huis’ zeiden de elfjes en gingen met zijn allen op de rug van het hondje zitten, want zoals jullie weten, elfjes zijn niet groot dus er was plaats genoeg. ‘Komen jullie ook mee’? vroegen de elfjes aan de twaalfjes, want de elfjes en de twaalfjes waren eigenlijk beste vriendjes maar als er hulp geboden moest worden waren de elfjes er toch altijd als eerste bij. Ook de twaalfjes gingen op de rug van het hondje zitten en gingen mee naar het huis waar het hondje woonde. Daar aangekomen drukten ze met zijn allen tegelijk op de bel en vlogen een eindje verderop om te zien wat er gebeurde. De eigenaar van het hondje kwam slaperig naar beneden en deed de voordeur open. Zijn hondje sprong meteen in zijn armen en begon zijn kin te likken. Lachend en blij nam de eigenaar het hondje mee naar binnen en de elfjes en twaalfjes gingen weer naar huis toe. Dit soort verhalen hadden de twaalfjes en de elfjes al vaak meegemaakt met bijvoorbeeld poesjes die niet meer van een dak af durfden te komen of  uit een boom, hondjes die verdwaald waren, kinderen die hun knuffel verloren waren en zelfs met vissen die verstrikt geraakt waren in het plastic in de zee. Spruitjes olie Mira was natuurlijk ook altijd blij als er weer een verhaal goed afgelopen was maar toch wilde ze net als de elfjes, net zo hard kunnen vliegen zodat ook zij gelijk zou aankomen, waar ook maar hulp nodig was. Op een dag was ze samen met haar moeder spruitje aan het koken. Sommige twaalfjes lustten helemaal geen spruitjes, maar Mira was er dol op. Nadat de spruitjes afgekoeld waren, stonden ze op de tafel in het bos van Nummer Een, waar de twaalfjes altijd gezamenlijk aten. Toen er plotseling een windvlaag opstak, viel de pan met spruitjes bovenop Mira. Dat was wel even schrikken natuurlijk. Toen gebeurde er iets vreemds. Mira voelde ineens een kracht die ze nog nooit tevoren gevoeld had. Wat voelde ze zich sterk. Kom ik ga nog een eindje vliegen dacht ze en ze vloog net als altijd weg om een rondje langs het bos te maken. Maar wat was dat, ze vloog wel tien keer zo snel als vroeger. Hoe kon dat? Snel ging ze naar Meester Merlijn, de tovenaar die toevallig op bezoek was bij de twaalfjes. Meester Merlijn is een heel wijze tovenaar en hij onderzocht hoe het kon dat Mila ineens zo hard kon vliegen. “Mila vertel eens wat je de laatste dagen hebt gedaan en gegeten,” zei Merlijn. Mila vertelde van het ongeluk met het hondje en van de spruitjes die op haar gevallen waren. ‘Jofels’! Riep meester Merlijn die heel veel van planten en kruiden afwist, ‘ik weet het’. De spruitjes bevatten een olie die je heel sterk maakt en daardoor kun je veel sneller vliegen, zei hij tegen Mila.

Betere relaties met iedereen

Nadat Meester Merlijn weer weg was gegaan, vertelde Mila het verhaal tegen de oudsten van de twaalfjes. Dan hebben wij de oplossing voor ons probleem riepen de oudsten enthousiast! Ze verzamelden een grote hoeveelheid spruitjes die ze kookten in een grote pot en nadat ze afgekoeld waren knepen ze alle spruitje fijn, waardoor de spruitjes olie er uit kwam. Deze olie werd opgevangen in een grote fles. Ieder twaalfje mocht een beetje van deze olie op zijn of haar vleugeltjes smeren waardoor ze net zo snel konden vliegen als de elfjes. Als er nu ergens problemen zijn met mensen, dieren of vissen, dan komen de elfjes tezamen met de twaalfjes om te helpen en worden problemen nog sneller opgelost. Wat was Mila blij dat de spruitjes per ongeluk op haar gevallen waren, waardoor ze dit ontdekt hadden.
Posted on 1 Comment

De zus van Hildegonda

hildegonda

De zus van Hildegonda

Een sprookje door Dre Welsuit

WALDETRUDIS

Het is nog niet eens zo heel lang geleden dat Hildegonda en Waldetrudis haar zus,  zwommen in de Westerschelde.

Dit verhaal gaat echter niet over Hildegonda, de welbekende zeemeermin uit Waterlandkerkje in West Zeeuws Vlaanderen in Zeeland, maar over haar zus, de minder bekende Waldetrudis.

De zeemeermin zussen zwommen als zeemeerkind graag en vaak in de Westerschelde en in de Noordzee en speelden en riepen naar elkaar maakten gekke sprongetjes boven water zoals dolfijnen dat doen, speelden met de zeehonden met een bal die ze in het water gevonden hadden  en deden allerlei spelletjes zoals dammen met mosselen en kokkels enzovoorts.

Het leven was fijn voor zeemeerminnen en als ze moe waren dan gingen ze op de zandbank voor het dorpje Hoofdplaat liggen om lekker te zonnen en uit te rusten tussen de zeehonden.

De burgemeester van de gemeente Hoofdplaat heeft speciaal een steiger laten aanleggen voor de bewoners, zodat ze met hun verrekijker kunnen kijken of ze zeemeerminnen of zeemeermannen (want die bestaan ook hoor!) kunnen zien liggen op de zandplaat, tussen de zeehonden die daar verblijven.

JACCO

In Breskens, woonde de familie Aalrechts, een vissersfamilie die al sinds vele decennia leefde van de visvangst.

Pa Aalrechts had een eigen schip, de Breskens 286, een van de vele vissersschepen die toen in de haven van Breskens lagen.

Dit verhaal gaat ook over een van zijn 5 zonen namelijk Jacco Aalrechts.

Jacco was inmiddels een stoere  jongen van 18 jaar, zag er goed uit en de meisjes hingen aan zijn lippen als hij een verhaal vertelde meestal over de dingen die hij beleefd had op zee, wat hij graag deed.

Wat hij niet graag deed, was vissen!  Zijn pa vond het erg jammer dat hij het niet graag deed maar natuurlijk moest hij met zijn broers en zijn vader mee uit vissen omdat dat nu eenmaal nodig was om te overleven voor de familie en hem, maar hij deed het zoals gezegd niet graag.

Als het weer te slecht was dan stonden de vissers van Breskens vaak al vroeg in de morgen op de kaai sterke verhalen tegen elkaar te vertellen.

Zo vertelde iemand van die keer dat een enorme octopus midden op de Noordzee hun schip vastgegrepen had en probeerde om het naar beneden te trekken. Het dier trok uit alle macht aan het schip en het schip dobberde heen en weer.

Gelukkig wisten alle vissers dat octopussen niet van zuurkool houden en daarom hadden ze altijd aan dek een pan verse zuurkool gereed staan want ja, je wist maar nooit. Als ze de zuurkool niet nodig hadden gehad op een reis, maakte hun moeder de zuurkool klaar als ze weer thuiskwamen en daarom vonden ze allemaal dat de zuurkool een feestmaaltijd was.

Nu kwam de zuurkool natuurlijk goed van pas. De Oudste broer van Jacco pakte de pan met zuurkool, deed het deksel er af terwijl de octopus aan het schip trok, en kipte in één keer de pan, helemaal leeg in de mond van de inktvis waardoor deze moest braken en daardoor het schip losliet en de vissers konden wegvaren.



OCEAAN STOMER

Een andere visser vertelde op een keer het verhaal dat ze op de Noordzee aan het varen waren en dat ze pech kregen. Door de sterke Noordenwind werden ze naar het midden van de oceaan geblazen en er was niemand om te helpen. Schepen hebben altijd een pistool aan boord waarmee ze een zogenaamde lichtkogel in de lucht kunnen schieten om andere schepen in de buurt te waarschuwen dat ze in nood zijn, maar helaas was ook het pistool kapot. Tot overmaat van ramp kwam er een oceaanstoomboot, wel 10 keer groter dan de boot van sinterklaas, recht op hen afgevaren.

Het schip kwam dichter en dichter en als er een aanvaring kwam zou het vissersschip zeker zinken.

Zo’n groot schip kan niet vlug remmen of opzij gaan dus kwam het in alle vaart recht op de vissersboot af.

Er was  nog maar vijftig meter tussen de oceaanstomer en de vissersboot boot toen er plots een grote walvis in volle vaart op de visboot toegezwommen kwam en het schip opzij duwde zodat er geen aanvaring kwam. De stoomboot heeft toen de vissersboot op sleeptouw genomen en veilig naar Vlissingen gebracht, waar het schip door de reddingsboot van Breskens, veilig de haven in gesleept werd.

Weer een andere visser vertelde het verhaal over de grootste visvangst van zijn leven. Ze waren dagenlang aan het vissen voor de kust van Schotland en er zat zoveel vis, dat ze na een paar dagen moesten stoppen met vissen van de kapitein, omdat hij bang was dat de boot anders zou zinken door het vele gewicht. Blij en vrolijk voeren de vissers terug richting Breskens maar ze voeren doordat de boot zo zwaar geladen was, heel langzaam.

Plotseling, vlak voor de kust bij Vlissingen stak er een storm op wat vaak gebeurd op de Noordzee. Het schip wiegde gevaarlijk heen en weer en om te voorkomen dat het schip  ging zinken en om de bemanning te redden gaf de kapitein opdracht om alle vis overboord te zetten. Zodoende gooiden de vissers alle vissen terug in zee maar gelukkig kwamen ze weer heelhuids aan in de haven van Breskens.

Dit verhaal staat ook wel bekend als een verhaal verteld in het visserslatijn. Visserslatijn zijn vertellingen zoals deze over bijvoorbeeld iemand die een paling ving van wel drie meter lang of een sliptong van hondervijftig kilo. Verhalen in het visserslatijn zijn meestal niet waar!

BIJZONDERE VANGST

Er werd voor ’s avonds slecht weer voorspeld  en de vader van Jacco Aalrechts besloot om toch nog even te gaan vissen, deze keer niet op de Noordzee want dat was te gevaarlijk, maar in de Westerschelde.

Na een half uurtje varen, net voorbij Hoofdplaat lieten ze de netten zakken die ze na 10 minuten weer uit het water haalden. Tot hun grote verbazing zat er niet alleen wat vis in de netten, maar ook een zeemeermin.

Het was een zeldzaamheid dat zeemeerminnen gevangen werden maar af en toe gebeurde het toch wel eens.

De zeemeermin die gevangen was,  Waldetrudis,  was de zus van Hildegonda, de bekende zeemeermin die nog te zien is op het standbeeld dat voor Waterlandkerkje staat. Vol bewondering keken Jacco en zijn broers naar de zeemeermin, die een schoonheid had die onbeschrijfelijk was. Een prachtig figuurtje een lieflijk mondje prachtige ogen en een ongelofelijk mooie staartvin.

“Gooi haar maar in die bak met water,” zei de vader van Jacco, “we gaan terug naar Breskens en verkopen haar in de vismijn, ik ben benieuwd wat ze zal opbrengen”.

Jacco die op slag verliefd geworden was op de prachtige zeemeermin, was niet bij de zeemeermin weg te houden. Ze smeekte om teruggegooid te worden in het water, maar Jacco’s vader wilde haar verkopen dus dat werd niet gedaan.

Jacco werd gek van de gedachte dat Waldetrudis straks in de vismijn verkocht zou worden. Bij wie zou ze immers terechtkomen? Zou ze voor altijd moeten rondzwemmen in een aquarium? Of in een circus tentoongesteld worden?

ONGEHOORZAAM

Net voor ze de haven van Breskens bereikten deed Jacco iets wat niemand ooit van hem verwacht had, maar  ja mensen die verliefd zijn doen wel meer onverwachte dingen.

Jacco pakte de zeemeermin uit de bak met water en gooide haar in het water.

Woest kwam Jacco’s vader uit de stuurhut gerend en wilde Jacco een pak slaag geven maar voordat hij bij hem was, sprong Jacco overboord.

Op het moment dat hij het water raakte veranderde Jacco in een zeemeerman. Dit kwam door de betovering van Waldetrudis.  Iedereen weet dat zeemeermannen nog zeldzamer zijn dan zeemeerminnen.

“Papa”, wees niet boos,” Zei Jacco ik kom terug en samen met Waldetrudis zwom hij weg.

De volgende dag nadat de storm was gaan liggen kwamen Jacco en Waldetrudis de haven van Breskens in gezwommen en spartelden wat naast de boot van Jacco’s vader.

De vader van Jacco, die inmiddels niet meer boos was maar alleen bezorgt luisterde naar wat Jacco te vertellen had.

“Pap,” Ik ben heel gelukkig hier in het water samen met Waldetrudis en ik kan veel voor jou, mam en mijn broers doen”. “Ik weet waar er veel vis zit en zal je helpen om genoeg vis te vangen voor de hele familie”.

En Jacco deed in het vervolg wat hij beloofd had. Als hij wist waar er veel vis zat, zwom hij naar de haven van Breskens en floot met een snerpende hoge toon op zijn zeemeerman vinnen, zoals mensen op hun vingers fluiten. Jacco’s vader wist dan dat het tijd was om te gaan vissen en onder het varen babbelden Jacco en zijn broers graag wat terwijl Jacco langszij het schip meezwom naar de visplaats.

Vooral als het lekker weer is zijn Jacco en Waldetrudis, maar ook Hildegonda, die inmiddels niet met een visser maar met een ‘gewone’ zeemeerman getrouwd is, te zien op de zandplaat voor Hoofdplaat tussen de zeehonden.

Posted on 17 Comments

Harry

biertje

Harry

Een vertelling door Dre Welsuit

Het was niet druk in café de schuimkraag op de hoek van de straat waar Harry woonde.

Harry was een vaste klant van het café sinds hij hier was komen wonen.

Harry, 53 jaar oud met steeds minder grijs haar op zijn hoofd, wat gecompenseerd werd door zijn

ringbaardje, dat soms meer op een lange sliertige sik leek dan op een goed onder houden baardje.

Ik moest in IJzendijke zijn voor zaken. Als verzekeringsagent kwam ik vaak bij de mensen thuis en ik verkocht alles wat te maken had met verzekeringen van autoverzekering tot inboedel, glas verzekering woonhuis, wat je maar verzekeren kon.

Ijzendijke was een van mijn favoriete plaatsen in de gemeente Sluis in West Zeeuws Vlaanderen vanwege de mooie markt met de oude gebouwen die er stonden. Het dorp zelf was erg sfeervol en er waren ook naast de markt leuke straatjes met oude gebouwen of herinneringen aan vervlogen dagen.

In vroeger dagen had IJzendijke wel honderd-en-tien cafeetjes geteld maar dat was nu met de 5 cafeetjes die nog over waren wel wat anders. Niet voor niets werd IJzendijke in vroeger dagen ook wel ‘petit Paris’ genoemd.

Harry zat aan de bar met een glaasje bier voor zich, halfvol zou de een zeggen, halfleeg zou de ander zeggen.

Het was half tien in de ochtend en persoonlijk vond ik het nog een beetje vroeg om al een biertje of andere alcoholische drank te nuttigen, maar iedereen staat vrij te doen wat hij of zij wil.

Aan een tafel in de hoek van het café zat een vrouw, een dame wil ik het niet noemen, die er tamelijk onverzorgd uitzag en ook zij was op dit uur al aan haar hoeveelste? biertje bezig.

Ik ging naast Harry op de barkruk zitten en bestelde een koffie bij de barman Alfred, die ik min of meer kende omdat ik vaker in de ochtend een kopje koffie bij hem kwam halen.

Harry had ik ook vaker gezien in het café maar nog nooit met hem gesproken.

“Doe mij nog een pilsje.”zei Harry tegen Alfred, terwijl hij het restant uit zijn glaasje achterover kipte.

Zonder een woord te zeggen tapte Alfred een nieuw glaasje voor Harry.

“Mooi weer vandaag,” zei ik tegen Alfred en Harry tegelijk, in de hoop een gesprekje te kunnen aanknopen.

“Ja,  ik hoop dat het nog een tijdje zo blijft,” zei Alfred, “goed voor het terras.”

Harry keek mij schuin aan en zei mompelend, “mooi weer, mooi weer, het is hier altijd klote weer.“

“Een dag schijnt de zon en dan regent het weer de hele week.”

“In Zuid Afrika,”ging hij verder, “waar ik 30 jaar gewoond heb, dáár was het mooi weer, en niet zomaar een dag zoals  hier, maar meestal!”

Hij pakte een pakje shag uit zijn bovenzakje en begon een sigaretje te rollen.

“Verder is er hier niks mis hoor,” zei hij vergoelijkend, maar het weer is altijd klote hier.”

“Dus u komt uit Zuid Afrika,”zei ik tegen Harry, “bent u daar geboren en hoe komt u dan in IJzendijke terecht?  vroeg ik belangstellend.

“Ik ben niet in Zuid Afrika geboren maar  hier in IJzendijke.”zei Harry. “Alles in het leven is afhankelijk van toeval.”

“Mijn ouders hadden hier een winkeltje in garen en ritsen en ik heb thuis gewoond tot ik 23 jaar was.”

Op mijn drieëntwintigste kwam ik Hellie tegen, een verpleegster die stage liep in het ziekenhuis in Oostburg. “Zij kwam uit Zuid Afrika, uit Pretoria.” “het was liefde op het eerste gezicht, daar kun je nu eenmaal niets aan doen.”

Harry stond op en ging buiten op het terras zitten en stak zijn sjekkie op, rokend en peinzend in de verte voor zich uit starend.

Nadat het sjekkie bijna zijn vingers schroeide, gooide hij het op straat en kwam  terug naar binnen en nam weer plaats naast mij.

“Alfred, doe mij er nog eentje,” riep de vrouw in de hoek die inmiddels verdiep was geraakt in de krant van gisteren.

Toen Alfred weer terug achter de bar stond, vroeg ik om een tweede kopje koffie.

“Weet je wat het is?” zei Harry nadat hij weer een slok van zijn biertje genomen had dat inmiddels helemaal doodgeslagen was. “ Mensen leven teveel naast elkaar in plaats van mét elkaar.

“In Zuid Afrika hadden we allemaal groepen, weliswaar witte mensen en zwarte mensen maar de mensen leefden in gemeenschap.” Hier zie je hooguit 2 stelletjes die bij elkaar horen maar meestal zijn de mensen met z’n tweeën of alleen. Dat zag je in Zuid Afrika nooit.

“Hellie was een lief en eenvoudig mens, altijd bezig met het helpen van andere mensen wit en zwart

en in niemand zag ze enig kwaad.”

“Zuid Afrika is erg gewelddadig meneer, zei Harry, “dat is de reden dat ik teruggekomen ben.”

“Hellie werd op een dag gewoon op straat toen ze naar huis kwam, beroofd en doodgeschoten.”

“Ik kan er nog steeds niet mee omgaan en om het achter mij te laten ben ik hierheen gekomen.“

“Niet Hellie hoor, die vergeet ik nooit, maar de omgeving, het leven daar, stuitte mij daarna enorm tegen de borst.” We hadden geen kinderen en dat is maar goed ook. “Wat erg voor je,”zei ik.

“Alfred, doe mij nog een pilsje,” zei Harry.

Ik betaalde de koffie en verliet het café.

biertje
Posted on Leave a comment

007 – De Travestiet

Travestiet

Een vertelling door Dre Welsuit

Omar keek naar de gepelde banaan in zijn handen, die voelde plakkerig aan. Buiten was het koud en onaangenaam door de harde wind.

Het was al vroeg donker door de aanhoudende sneeuw die maar bleef vallen.

Binnen voelde hij zich prettig vooral als hij met een glaasje rum dicht bij de open haard kon zitten.

Hij liep naar het raam zijn leven overpeinzend. Hij hield van  het huis, de  robuuste rivier. De huizen aan de overkant, de mensen, de geuren van het bos net buiten de stad en de spelende kinderen op het plein.


Tientallen mensen met problemen had hij kunnen helpen, wat hem een bevredigend gevoel gaf. Mensen konden de vreemdste problemen hebben en daar zwaar onder lijden. Omar zag het als een gave om de psychische pijn van mensen te verlichten door hen alle mogelijke therapieën aan te bieden, die in negenennegentig procent van de gevallen ook hielpen.

Hij zag iemand in zijn richting komen. Het was Bert.  Bert was een verwaande patiënt met lange valse wimpers en grote lippen. Als travestiet altijd gekleed in vrouwenkleren.

Zijn vrienden vonden hem altijd een beetje griezelig, deze sierlijke reus.

Hij was niet onaardig maar vreemd en extravagant.

Maar zelfs op een dergelijk persoon, die overigens altijd klaar stond voor een ander, was Omar ook  niet voorbereid voor wat er vandaag  te gebeuren stond.

De sneeuw joeg door de harde wind in Bert zijn gezicht toen hij aankwam bij het huis van Omar. Hij klopte de sneeuw van zijn jas en schopte de sneeuw van zijn schoenen tegen de muur,  voordat hij aanbelde.

Omar was als psycholoog wel een en ander gewend aan bijzondere of vreemde gedragingen van mensen maar hij had toch wel een speciale interesse in Bert, professioneel gezien. Nog steeds wriemelend aan de verweerde banaan, liet hij Bert binnen.

Ze keken elkaar aan. Bert hoopvol in de verwachting dat hij geholpen zou worden, of dat zijn verwachtingen beantwoord zouden worden,  Omar met een diepe interesse over wat Bert nu weer te berde zou brengen.

“Ik ben een vrouw,” zei Bert “en dat weet jij ook maar al te goed!”

“Hou van mij, niemand houdtvan mij!”

“Ik doe alles voor je, vraag het en ik doe het.”

Hoopvol en met vochtige ogen keek Bert Omar aan.

Het was een noodkreet zoals Omar er al vele in zijn jarenlange carrière gehoord had.

Hij gooide peinzend de bananenschil in de afvalbak en draaide zich om naar Bert.

“Bert, ik hou van jou als individu, als mens, als persoon en ik wil proberen je te helpen waar ik maar kan,  maar ik kan niet van jou houden op de manier waarop jij dat zou willen!”

Bert zeeg ineen en zei: ”niemand houdt van mij!”

Met gebogen hoofd verdween Bert enige tijd later weer in de duisternis.

Posted on Leave a comment

Corona / Covid-19


Tegemoetkoming schade COVID-19 (TOGS)

Kinderartsen beginnen onderzoek naar Covid-19 bij kinderen


coronamaatregelen verlengd tot en met dinsdag 28 april


Actuele informatie over het nieuwe coronavirus (COVID-19)


Vragen & antwoorden nieuw coronavirus (COVID-19)


Veelgestelde vragen over het coronavirus en gezondheid


Nederlands tijdschrift voor geneeskunde


Stimuleringsregeling eHealth Thuis (SET)


covid-19 en vleermuizen


Wegwijzer naar gegevensbronnen over COVID-19


COVID-19: (behandel)advies voor specialisten ouderengeneeskunde in verpleeghuizen, woonzorgcentra en kleinschalige woonvoorzieningen

Posted on Leave a comment

004 – De Marbuls

knikkers

De Marbuls

Een sprookje van Dre Welsuit

Wat veel mensen nog niet weten of nog niet echt begrepen hebben, is dat er meer leven is in de ruimte dan alleen op aarde. Het heelal is zo onmetelijk groot en er zijn zoveel sterren en planeten dat er meer is wat de mensen niet weten dan wat de mensen wél weten.

Een van de dingen die men inmiddels wel weet, is dat er ook op de maan leven is.

Op de achterkant van de maan, dus die kant van de maan die wij vanaf de aarde niet kunnen zien leeft een…. ja hoe moet ik het noemen, een stam, een volk, een gemeenschap? Ik weet niet hoe je deze groep marbuls noemt maar laat ons zeggen dat het een volk is.

Wat zijn marbuls eigenlijk?

Narbuls zijn wezens die lijken op knikkers. Ze zijn net zo rond en je hebt grote en kleine marbuls.

Een van de vreemde dingen aan marbuls is dat ze je altijd aankijken. Of je nu recht voor ze staat, achter hun, op opzij van hun, ze kijken je altijd recht aan. Ook als er een groep kinderen om hen heen staan, kijken ze alle kinderen tegelijk recht aan, wat wel bijzonder te noemen is. Als je marbuls vasthoudt lijkt het net of ze altijd lachen.

Hoe lang marbuls al leven op de maan, weet niemand, maar men vermoed dat ze er al duizenden jaren wonen.

Geregeld komen de marbuls naar de aarde toe om zich te vermaken, want het enige wat marbuls doen is spelen, zich vermaken en plezier hebben.

Mensen kunnen marbuls nooit bijhouden, zelfs met hun snelste vliegtuigen niet, omdat marbuls zich kunnen verplaatsen met de snelheid van de gedachte.

Wetenschappers weten dat geluid in de ruimte zich heel snel verplaatst en dat licht nog sneller gaat, maar de snelheid van de gedachte, is onmetelijk. Als een marbul denkt nu wil ik op Mars zijn dan is hij er ook, denkt hij nu wil ik op de zon zijn, dan is hij er ook. Marbuls zijn oersterk en kunnen overal tegen behalve tegen een ding…. namelijk azijn!

Als marbuls in aanraking komen met azijn vallen ze onmiddellijk stil en kunnen niets meer uit zichzelf doen, wat heel zielig is natuurlijk.

Het enige wat ze dan nog kan redden is water! Gewoon water uit de kraan of gewoon regen.

De marbuls moeten ook nooit doen wat hun ouders zeggen, ze hebben allemaal een eigen wil en doen wat ze willen, alleen of tezamen met andere marbuls.

Zo gebeurde het dat een groepje van 5 marbuls weer eens aan het spelen was op aarde. Ze waren eerst in New York geweest en hadden daar op het Vrijheidsbeeld gespeeld. Ze waren in de mond van het beeld gaan zitten en toen leek het net alsof het beeld aan het bellenblazen was. Daarna hadden ze nog wat gespeeld in de Sahara woestijn in Afrika en zandkastelen gebouwd en spelletjes gedaan zoals met zand naar elkaar gooien. Dit deden ze echter niet met handen want die hebben ze niet (die kunnen ze wel aan zichzelf denken hoor en dan hebben ze die wel) maar ze gooiden met groten machines waarin ze zichzelf veranderd hadden met grote bakken zand naar elkaar, zaten elkaar achterna, spoten elkaar midden in de Sahara nat en hadden weer een middag veel plezier.

Na de Sahara kwamen ze terecht in Nederland en wel in het plaatsje Schoondijke, in West Zeeuws Vlaanderen.

Ze waren aan het spelen op het water in de kreek achter de molen.

Een van de marbuls had zich veranderd in een bootje en de anderen zaten er in. Een andere marbul die in het bootje zat blies zo hard in het water dat het bootje met een enorme snelheid door het water schoot, net als een speedboot.

Omdat ze alles konden worden wat ze maar wilden, veranderden ze zichzelf om beurten in andere bootjes, zwemmers die op mensen leken, grote vissen en waterskieërs.

Een van hun geliefde spelletjes was om zich in plaats van ronde knikkers, te veranderen in vierkantjes. Een marbul kon wel uit duizend vierkantjes bestaan en met deze vierkantjes bouwden ze dan de mooie gebouwen, Flats, huizen, kerken wat ze maar wilden.

Als hun huis in elkaar viel door bijvoorbeeld de wind, dan veranderden ze onmiddellijk weer in een marbul en als ze tegen elkaar op botsten dan hadden ze ook nooit pijn. Het was zelfs zo dat ze vaak opzettelijk tegen elkaar aanvlogen in de gedaante van een knikker, een vierkant een driehoek, wat ze maar wilden en daarmee hadden ze ook weer veel plezier.

Na het spelen op de kreek achter de Molen van Schoondijke lagen ze even lekker uit te rusten in het gras vlak bij het huis van een van de mensen van Schoondijke. Ze waren zo moe dat ze allemaal in slaap gevallen waren.

Boek een Autovakantie bij Solmar!

De man die daar woonde was het onkruid aan het wieden in zijn tuin die aan de kreek lag. En om het onkruid waar hij moeilijk bij kon komen weg te doen, gebruikte hij azijn. Als hij azijn sproeide over het onkruid, dan was het binnen enkele dagen weg en was zijn tuin weer mooi.

Natuurlijk had deze man niet gezien dat er vlakbij de kreek marbuls lagen te slapen.

Hij kwam langs met zijn tuinsproeier en spoot azijn over het gras en…. over de Marbuls!

Top aanbieding: 5 nummers € 18,95

Nou wisten jullie al dat marbuls niet tegen azijn kunnen en de vijf marbuls veranderden dan ook ter stond in gewone knikkers. Ze konden alleen nog met elkaar praten, niet met mensen want ze konden zich ook niet meer veranderen in wat ze maar wilden.

“Hoe moeten we dit nu oplossen,” zeiden ze tegen elkaar? Want ze wisten niet wat ze moesten doen om weer een gewone marbul te worden. Honger of dorst hadden ze niet want ze aten en dronken nooit om te kunnen leven. Dat hadden ze wel eens voor de lol gedaan maar nu konden ze helemaal niks meer.

‘s Avonds op de achterkant van de maan werden de ouders van deze marbuls erg ongerust want hun kinderen waren niet teruggekomen en waar moesten ze zoeken? Het gebeurde bijna nooit dat kinderen niet op tijd thuis waren om te gaan slapen. Zoeken was voor de ouders onbegonnen werk want ze konden op mars zijn, op venus of pluto, de aarde of op welke planeet of ster dan ook om te gaan spelen.

Natuurlijk gingen alle marbuls helpen zoeken maar het was heel moeilijk om ze te vinden.

Twee dagen lagen de marbuls al in het gras bij de kreek in Schoondijke toen het plotseling hard begon te waaien en te regenen. De molen draaide hard in de wind.

De regen viel met bakken neer en dat was natuurlijk het geluk voor de marbuls.

Door de vele regen werd het azijn van hun  lijfjes  afgespoeld en de eerste die weer kon bewegen veranderde zich in een grote hand en spoelde met het water uit de kreek zijn vriendjes af.

Toen ze allemaal weer gewone marbuls waren zijn ze vliegensvlug terug naar de achterkant van de maan gegaan en wat waren hun ouders blij dat ze weer veilig terug waren!

De les die kinderen hieruit zouden kunnen leren is dat, als ze ooit spelen met knikkers, dan moeten ze die eerst goed afspoelen met water, zodat ze schoon zijn en het kan gebeuren dat het geen gewone knikkers zijn maar marbuls die terug willen naar de achterkant van de maan.

En hoe kun je nou zien of je knikkers hebt of marbuls zul je je afvragen.

Wel dat is heel gemakkelijk. Een knikker ligt gewoon in je hand of op tafel of waar dan ook en daar is niets bijzonders aan maar een marbul kijkt je altijd recht aan waar je ook bent!

Posted on Leave a comment

006 – Katty’s bedrog

dolk

Katty’s bedrog

Een kort verhaal door Dre Welsuit  

Katty had altijd al van het lawaaierige Leiden gehouden waar ze graag studeerde,

Dagelijks was het een drukte van belang van lachende en roepende dan wel schreeuwende studenten.

Ze was een meelevende, liefelijke jongedame . Ze stond bekend als een allemansvriend.  Ze hielp graag mensen en deed geregeld vrijwilligerswerk.

Kathy liep naar het raam en dacht na over haar leven in Leiden. De maan scheen als een glimmende spiegel op de vijver in de voortuin van de universiteit.

Er werd aan de deur gebeld, het was Emmie.


Als ze nu geen zin had om met iemand te spreken dan was het wel met Emmie.

Toen ze de deur opende en Emmie dichterbij kwam, kreeg ze een angstig gevoel.

‘Kijk Katty,’ gromde Emmie met een kwade blik die Kathy deed denken aan een ongelukkige liefde uit haar verleden.  ‘Het is niet dat ik niet van je hou, maar ik wil mijn geld terug. Je bent me 763 euro schuldig.’

Katty keek verrast, “ik zou  zelf bepalen wanneer ik je zou terugbetalen, was de afspraak toch”?

Ze keken elkaar wantrouwend aan.

“Ja maar je zou binnen 3 maanden terugbetalen was de afspraak ook hè, weet je nog? Dus waar is mijn geld, ik heb het zelf nodig en wel nu direct”!

Katty keek Emmie aan die een zeer gespannen indruk maakte. Uiteindelijk haalde ze diep adem. ‘Ik ben bang dat ik mezelf failliet heb verklaard’, zei Katty. “Je krijgt nooit je geld.”

“Nee!” wierp Emmie tegen. “Jij liegt!”

“Doe dat weg” antwoordde Katty, toen Emmie een dolk met bloedgleuf uit haar tasje haalde.

 

dolk

Emmie zag er boos uit, haar geopende lege portemonnee in de lucht houdend.

Teruggeven of er gebeuren ongelukken!

 

Katty deinsde terug en zei ik kan niet betalen ik heb het geld niet!

Emmie was buitenzinnig en maakte een swingende beweging naar Katty. Zonder het te bedoelen raakte ze de keel van Katty waar het bloed meteen uitspoot. Even later viel ze neer.

Verschrikt keek Emmie naar Katty die levensloos op de grond lag. Het was nooit de bedoeling geweest haar te doden, ze wilde haar alleen schrik aanjagen zodat ze eindelijk eens zou terugbetalen.

Huilend omarmde ze Katty van wie ze toch nog steeds veel hield ondanks de financiële affaire.

Het was te laat.

Top aanbieding: 5 nummers € 18,95

 

Na weer bij zinnen gekomen te zijn rende Emmie de deur uit op de vlucht…..

Enige dagen later werd het levenloze lichaam van Katty gevonden.

Er was niets gestolen uit haar kamer dus diefstal kon niet het motief zijn.

Nooit heeft iemand begrepen waarom ze werd vermoord of wie de dader kon zijn.

Posted on Leave a comment

003 – Reus Bram van Breskens

bram de reus van breskens
bram de reus van breskens
Bram, de Reus van Breskens Een paar jaar geleden gebeurde er in Breskens in West  Zeeuws Vlaanderen iets wat je zou kunnen noemen ‘zeer merkwaardig’. Reeds vele jaren kwam er vlakbij Breskens, bij de vuurtoren van Nieuwe Sluis aan “het zandertje” een enorme Reus vanaf de wal, met zijn hengel vissen. De Reus was een grote liefhebber van vis en viste dan ook elke dag, 7 dagen in de week, omdat zijn  hongerig gevoel maar bleef duren en duren. Elke dag opnieuw kreeg hij een enorme honger en daarom ging hij ook elke dag vissen.

Top aanbieding: 5 nummers € 18,95

’s Avonds na het vissen verdween hij richting Vlissingen en werd een paar minuten later in Rotterdam gezien en de mensen zeiden dat hij vanaf Schiermonnikoog (een eiland in de Waddenzee bij Nederland) naar Denemarken sprong, vervolgens sprong hij naar IJsland en dan weer naar Groenland waar hij woonde. Voor zo’n grote reus duurde het dus niet lang eer hij thuis was. De Vuurtoren De plaats die hij uitgekozen had om te gaan vissen was toch ook wel enigszins merkwaardig. Hij zat namelijk het liefst naast de Vuurtoren aan het zandertje bij Nieuwe Sluis. De vuurtoren was in vroeger jaren gebouwd om de schepen die naar de haven van Breskens voeren, in het pikkedonker ‘s nachts, te voorzien van een lichtpunt zodat de schepen  wisten waar ze zich bevonden en zodoende veilig de haven van Breskens konden bereiken, Dit was een geweldig hulpmiddel voor de schepen natuurlijk, zowel ‘s nachts als wanneer het erg mistig was. Het licht van de vuurtoren scheen altijd als het nodig was. Waar Bram precies vandaan kwam wisten de mensen eigenlijk niet maar ‘men vertelde’ dat hij bij zijn vader en moeder in een torenhoge flat op Groenland woonde. Sommige mensen weten nu eenmaal meer dan anderen. Als kleine reus was Bram wel eens stout en deed niet precies wat zijn papa en mama hem gezegd hadden. Zo kwam het dat Bram in de wereld van de gewone mensen terecht kwam en door een dorp liep. In dat dorp ging hij per ongeluk met zijn grote voet op een auto staan. De auto was meteen zo plat als een euro. Gelukkig zaten er op dat moment geen mensen in die auto. Bram die erg geschrokken was van het voorval, vertelde het thuis tegen zijn ouders. Zijn ouders waren erg boos. “We hebben toch tegen jou gezegd dat je niet door de stad of door de dorpen van de mensen moet lopen?”, riepen zijn ouders tegen hem. Bram wist het natuurlijk wel maar hij was zo nieuwsgierig om te weten wat er in de dorpen of in een stad gebeurde, dat hij het toch deed. Nadat hij voor straf het gras gemaaid had en thuis de afwas had moeten doen, beloofde hij om nooit weer onvoorzichtig door een dorp te lopen. Verder was Bram eigenlijk een heel lieve reus die meestal naar zijn ouders luisterde en in een bijzonder geval had hij bij kerstmis, de kerstman geholpen. Kerstmis Het was kerstmis en dus voor de kerstman de drukste tijd van het jaar. De elfjes hadden met zijn allen geholpen, dagen en dagen lang, om alle cadeautjes  voor de kinderen op de hele wereld uit te zoeken en  in te pakken. Hierdoor waren de elfjes zo hartstikke moe, dat ze op kerstdag bijna geen ‘pap’ meer konden zeggen. Dat was natuurlijk een ramp voor de kerstman want de cadeautjes moesten op deze dag bij de kinderen overal ter wereld bezorgd worden. De kerstman zat te kniezen en te klagen en vroeg zich af hoe het zo ver had kunnen komen dat de elfjes te moe waren om te helpen de pakjes te bezorgen. De ramp voor de kerstman was nog niet compleet want ook zijn rendieren waren ziek geworden omdat ze iets verkeerds gegeten hadden. Geen van de rendieren waar de kerstman normaal gezien mee door de lucht vloog om de pakjes te bezorgen, kon op 1e kerstdag helpen. Gelukkig had een van de elfjes die samen met de kerstman op Groenland woonde, tegen Bram de reus gezegd, wat er aan de hand was. Bram was onmiddellijk bereid om de helpende hand te bieden en stapte naar de kerstman en zei terwijl de kerstman luisterde met vingers in zijn beide oren: ”Ik wil wel helpen, ik breng u overal naar toe en help u om de cadeautjes van de kinderen te bezorgen. De kerstman was maar wat blij geweest met de hulp van Bram en die kerst waren alle pakjes toch nog op tijd bij de kinderen op de hele wereld terecht gekomen. Bang In het begin waren de mensen erg bang toen ze Bram bij de vuurtoren zagen zitten om te vissen. Niet dat hij lelijke dingen deed of zo, maar gewoon omdat hij zo heel erg groot was. Hij was namelijk net zo groot als de vuurtoren! Bram was iemand die heel weinig sprak en dat kwam eigenlijk omdat zijn stemgeluid loei en loei hard was. Ook als hij fluisterde, staken de mensen  hun vingers in allebei hun oren om het geluid van de stem van Bram te verzachten. De mensen uit Breskens en omgeving wisten inmiddels wel dat Bram een lieve reus was en dat kwam door het volgende.

 
De veerboot   Op een dag vertrok de veerboot Vlissingen Breskens, uit de haven van Vlissingen, richting Breskens. Het waaide wel hard maar eigenlijk niet zo hard dat het gevaarlijk was om de Westerschelde over te steken met de veerboot. Echter een stuk voordat de Westerschelde Ferry de haven van Breskens bereikte, stak er een enorme storm op. De mensen op de veerboot werden heen en weer geschud en schreeuwden in paniek om hulp. Al snel dreigde de veerboot te gaan zinken maar Bram, die zo als gewoonlijk bij de vuurtoren zat te vissen had alles gezien en gooide zijn hengel uit naar de veerboot. Het lukte hem om in één keer raak te gooien en de haak van zijn hengel zat vast aan de veerboot, waarna Bram de veerboot in snel tempo naar de kant trok. Toen hij de veerboot aan de kant had, nam hij de boot onder zijn arm en bracht hem veilig naar de veerhaven in Breskens, waar de mensen gelukkig veilig en gezond konden uitstappen. Je begrijp dat de mensen erg dankbaar waren. Iedereen was blij met de ‘reus van Breskens’ zoals Bram altijd genoemd werd om hem niet te verwarren met een notaris die reus heette die in Groede woonde en dat was een meneer die niet zo groot was. (dat was de reus van Groede) Om  te laten zien hoe dankbaar ze waren, voer de volgende dag ( de storm was ondertussen gaan liggen) de hele vissersvloot van Breskens uit om vis te gaan vangen en de vele vissen die ze gevangen hadden gaven ze gratis weg aan Bram zodat Bram eindelijk eens een week vakantie kon nemen, zonder honger te hoeven lijden. De grote vis Op een dag zat Bram weer te vissen bij de vuurtoren en vaak gebeurde het dat hij zomaar ineens een zeemeeuw uit de lucht griste en direct opat met veren en al. Bram at graag zeemeeuw, zoals kinderen graag snoepjes of chips eten. Op die dag had Bram nog niet veel vis gevangen en hij dacht: ”weet je wat?”, in plaats van een klein stukje brood aan de haak van mijn hengel te doen, doe ik er een heel brood aan”. “Ik ben benieuwd wat er dan zal gebeuren.” Zo gezegd zo gedaan, Bram gooide zijn lijn in zee met heel het brood er aan en ging zitten wachten en wachten. Plotseling zag hij zijn hengel met een enorme kracht heen en weer gaan en uit ervaring wist hij dat er dan een vis aan de haak zat. Deze keer echter zat er een vis aan de haak die zo groot en zwaar was, zoals nog nooit iemand zo’n grote vis in de Westerschelde gezien had. (behalve walvissen natuurlijk maar die zwemmen bijna nooit in de Westerschelde!). Uit alle macht begon reus Bram aan zijn hengel te trekken en trekken en opeens met een grote zwaai kwam de vis uit het water en vloog hoog boven in de lucht richting Breskens. Onderweg vloog  de vis rakelings lang een  vliegtuig en de mensen in het vliegtuig waren maar wat verbaasd natuurlijk dat ze zo’n grote vis zagen vliegen. Dat zie je nou eenmaal niet elke dag. Toen viel de vis kilometers naar beneden en kwam midden in Breskens terecht, vlak bij de haven. Hij was met zijn staart naar beneden gevallen en alleen de bovenste helft van de vis stak nog boven de grond uit. Bram liep met een paar stappen naar Breskens toe en probeerde de vis uit de grond te trekken, maar in de vis die inmiddels versteend was doordat hij door de koude lucht heen gevlogen was, was geen beweging te krijgen. Na een kwartiertje proberen gaf Bram het op en ging terug naar de vuurtoren om verder te vissen, Dit keer weer gewoon met kleine stukjes brood. De mensen in Breskens die de vis gezien hadden, waarschuwden de burgemeester. Burgemeester Grijpstuiver van de Gemeente Sluis kwam onmiddellijk met paard en wagen naar Breskens om zelf te zien wat er aan de hand was. Nu zul je denken waarom reed de burgemeester niet met de auto? Wel, dat kwam zo. In de voorgaande jaren was hij vergeten zijn rijbewijs te halen en toen hij eenmaal burgemeester was, had hij door deze drukke baan eenvoudigweg geen tijd meer om zijn rijbewijs te halen. ’s Avonds na 8 uur reden er in de gemeente Sluis geen bussen meer en een tram was al tientallen jaren geleden dat ze die hadden. De mensen uit de gemeente Sluis wisten  dat wanneer  ze de laatste bus naar hun eigen dorp gemist hadden, dan konden ze  de burgemeester bellen en die kwam dan de mensen ophalen met paard en wagen en bracht ze naar huis. Dit kon tot 11 uur ’s avonds want daarna ging de burgemeester slapen. Onderweg werd er door de mensen over van alles en nog wat gepraat en daardoor wist de burgemeester heel goed wat er gebeurde in zijn gemeente. In Breskens aangekomen zag burgemeester Grijpstuiver de vis en rondom de vis stonden inmiddels tientallen mensen. grote vis breskens De burgemeester vond het maar niks, zo’n vis midden in het dorp en omdat hij een meneer uit Rotterdam kende die kraandrijver was, (iemand die een hele grote hijskraan kan besturen) belde hij de volgende dag naar deze meneer en vroeg hem om de vis uit de grond te trekken. De kraandrijver De kraandrijver was eigenlijk een buitenlandse meneer die uit Litouwen kwam, een land dat naast Rusland ligt. Deze kraandrijver werkte meestal in de haven van Rotterdam en kon met zijn hijskraan de zwaarste voorwerpen oplichten, zoals containers geladen met zakken zand of suiker, schepen, zware boomstammen, niets was te zwaar voor zijn kraan.  De kraandrijver was altijd vrolijk en zong altijd hetzelfde liedje als hij aan het werk was. Het was een Engels liedje dat heette:”You’ll never walk alone.” De Litouwer probeerde met een zware  ketting die hij  rond de vis geplaatst had, om de vis uit de grond te trekken. Hoe hij ook trok en heen en weer bewoog met zijn grote kraan, het lukte ook hem niet om de vis uit de grond te krijgen. Inmiddels kwamen steeds meer en meer mensen kijken naar de inmiddels beroemd geworden vis. “Burgemeester, laat die vis toch zitten waar hij zit,” zeiden de mensen tegen burgemeester Grijpstuiver. “Wij vinden het mooi, en kijk eens al die mensen die komen kijken!” Dit is goed voor Breskens. Als zoveel mensen komen kijken, eten ze hier in de cafeetjes een lekker hapje en drinken een glaasje limonade of eten een ijsje. Daar had de burgemeester nog niet aan gedacht en ja soms moet je als burgemeester ook wel een iets doen dat de mensen leuk vinden. Daarom besloot de burgemeester om de vis gewoon te laten waar hij was. Op de jaarlijkse visserijfeesten, een feest dat elk jaar in Breskens plaatsvindt, komen tienduizenden mensen kijken naar de vis en maken duizenden mensen er foto’s van. Ook waren de mensen gaan houden van het liedje dat de kraandrijver uit Litouwen altijd zong: “You’ll never walk alone” terwijl hij aan het werk was en op het volgende visserijfeest zong hij het liedje dan ook op uitnodiging van de burgemeester voor alle mensen door een microfoon. De mensen uit Breskens waren natuurlijk maar wat blij met ‘hun’ Reus en ‘hun vis’. Waar is Bram ? Reus Bram is daarna nog vele jaren gezien aan de vuurtoren maar ineens verscheen hij niet meer. De mensen die altijd meer weten dan een ander, zeiden dat hij een ander visstekje gevonden had, waar hij rustiger kon vissen en waar niet zoveel schepen langs zijn vislijn voeren. Dat is het laatste wat men van reus Bram gehoord heeft, de vis staat echter nog steeds in Breskens en er komen nog steeds duizenden mensen naar kijken.
Posted on Leave a comment

002 – De Duim

kapmes

De Duim 

Een anekdote door Dre Welsuit

Een vreselijk  verhaal dat speelde rond 1920 in Zeeuws Vlaanderen in de provincie Zeeland.

Ze waren altijd met z’n tweeën, de landarbeiders Jan en Jan. De ene noemden ze Jan Hette en de tweede Jan Pette, omdat de eerste graag ‘hetten’ (een soort beenbeschermers) droeg die tegenwoordig niet meer vaak gebruikt worden en de tweede Jan droeg altijd waar hij ook heen ging, een pet.

Jarenlang bewerkten ze het land voor de ‘Herenboer’ en grootgrondbezitter  Guust de Paepe. Deze grootgrondbezitter had tientallen landarbeiders in dienst om het land te laten bewerken.

Dagelijks zwoegden de landarbeiders vele uren op het land om de kost te verdienen voor hun vaak grote gezinnen.

Jan Pette had 10 kinderen en dat kwam eigenlijk doordat de pastoor, toen hij pas getrouwd was, elk jaar kwam vragen of er nog een kindje bijkwam omdat het zo leuk was om een groot katholiek gezin te hebben en zoals het een goed katholiek ook betaamde.

Om wat bij te verdienen had Jan naast zijn eigen grote tuin nog een stukje grond in pacht om groenten en fruit te kweken in zijn schaarse vrije tijd. Daarnaast stond Jan elke morgen (7 dagen in de week zomer en winter) ’s morgens om half vijf op om de paarden van de boer eten en drinken te geven, alvorens te voet uiteraard naar het land te lopen om daar te beginnen met de dagelijkse werkzaamheden, zoals het maaien van het graan, het ‘stuiken’ van het vlas en het “kappen” van de bieten (= Met een vlijmscherpe bijl, het loof van de biet hakken. Het loof werd gebruikt als veevoer en van de biet werd suiker gemaakt.), wat in die tijd allemaal handmatig gebeurde.

paard2

Het betreft in dit verhaal  natuurlijk de oogsttijd en niet de zaaitijd waar de jannen in het voorjaar hielpen met het zaaien en planten van de gewassen en het omspitten van het land. Onder het werk hadden de jannen meestal de meeste lol en lachten wat af met de domme verhalen die ze zelf verzonnen over hun eigen dieren, hond, kat en meestal ook een geit of over de boer als die er niet bij was en over vrouwen.

Tijdens het vertellen van een van deze verhalen waren de jannen bieten aan het kappen. Dit werk werd toen nog  geheel handmatig gedaan met een vlijmscherp kapmes. Duizenden en duizenden bieten hadden beiden reeds gekapt in de voorbije jaren.

Toen Jan Hette tijdens het werk weer eens een domme opmerking maakte over een vrouw en een geit, schoot Jan Pette dusdanig in de lach, dat hij per ongeluk met één slag zijn duim afkapte waarmee hij zojuist een biet gepakt had om te bewerken. Een bloederig tafereel natuurlijk.

Geheel tegen zijn geloof in vloekte hij onbedaarlijk en met een verbeten gezicht keek hij jan Hette aan, die natuurlijk spijt had van zijn opmerking en die hem lijkbleek aankeek.

Het leven was hard en medelij kende men niet. Geld was er niet en zo kwam het dat Jan Pette na enige tijd zijn zakdoek om zijn  duim draaide en doorging met werken. Geld voor een dokter was er sowieso niet.

Na een week haalde jan de zakdoek van zijn duim weg, om eens te kijken wat er van geworden was.

De duim was helemaal zwart geworden en er kon niets anders mee gedaan worden dan weggooien.

Jan Pette is wel 91 jaar geworden, maar het leven was sindsdien tot aan zijn pensioen in de zestiger jaren nog harder en moeilijker voor hem.

kapmes
Posted on Leave a comment

001 – Dirk-Jan en de vier zwarte Eenhoorns.

eenhoorn
eenhoorn

Dirk-jan en de vier zwarte Eenhoorns

Een sprookje van Dre Welsuit

In het dorpje Oostburg woonde een  dikke jongen genaamd, Dirk-jan Andeweg. Hij was onderweg naar zijn tante Annie in Cadzand, toen hij besloot een kortere weg te nemen door het bos van Erasmus.

Het duurde niet lang voordat Dirk-Jan verdwaalde. Hij keek om zich heen, maar hij zag alleen bomen. Nerveus voelde hij in zijn rugzak naar zijn favoriete knuffel, Hennie Aap, maar Hennie de aap was nergens te vinden! Dirk begon in paniek te raken. Hij was ervan overtuigd dat hij Hennie had ingepakt. Tot overmaat van ramp begon hij honger te krijgen.

Geheel onverwacht zag hij een zwarte eenhoorn zoals hij die kende uit zijn eigen dorp, verdwijnen achter de bomen.

“Hoe vreemd!” dacht Dirk.

Omdat hij nieuwsgierig was, besloot hij de eenhoorn te volgen. Misschien kon die hem de weg uit het bos vertellen.

Uiteindelijk bereikte de  eenhoorn  een open plek  die was  omringd door 5 huizen, gemaakt van verschillende soorten eten. Er was een huis gemaakt van drop, een huis gemaakt van Zeeuwse Bolus, een huis gemaakt van muffins, een huis gemaakt van Groese paptaart en een huis gemaakt van pannekoek.

Dirk-jan hoorde zijn buik rommelen. Door te kijken naar de huizen kreeg hij nog meer honger.

“Hallo!” riep hij, “Is daar iemand?”

Niemand gaf antwoord.

Dirk-jan keek naar het dak van het dichtstbijzijnde huis en vroeg zich af of het onbeleefd zou zijn om de schoorsteen van dat huis op te eten.   Het zou duidelijk onbeleefd zijn om een ​​heel huis te eten, maar misschien zou het acceptabel zijn om aan een vreemde woning te knabbelen of  te likken, in een tijd van nood.

Een gil sneerde door de lucht en  verschrikt keek Dirk-Jan om. Een heks sprong plotseling van haar bezem  in de open ruimte voor de huizen. Ze had een kooitje mee en in die kooi zat…. Hennie Aap!

“Hennie!” schreeuwde Dirk-Jan. Hij wendde zich tot de heks. “Dat is mijn knuffel!”

De heks haalde haar schouders op.

“Geef Hennie terug!” riep Dirk.

“Nooit or never!” zei de heks, die op de heksenschool naast toveren ook nog Engels geleerd had.

“Laat Hennie tenminste uit die kooi!” smeekte Dirk-Jan die begreep dat de heks de macht over Hennie had.

Voordat ze kon antwoorden, renden vier zwarte eenhoorns de open plek op via een voetpad aan de andere kant van de open plek. Dirk-jan herkende de eenhoorn, die hij eerder had gezien. De heks leek hem ook te herkennen.

“Hallo grote eenhoorn,” zei de heks.

“Goedemorgen” zei de eenhoorn  “en wie is dit?”

“Dat is mijn vriendje Hennie,” legde de heks uit.

“Ooh! Hennie zou er prachtig uitzien in mijn eigen huis. Geef hem aan mij!” smeekte de eenhoorn.

De heks schudde haar hoofd. “Hennie blijft bij mij!”

“Ehhhm … Sorry …” onderbrak Dirk-Jan. “Hennie woont bij mij! En niet in een kooi! En deze heks heeft hem gestolen”

De grootste eenhoorn negeerde hem. “Is er niets waarvoor je voor hem wilt ruilen?” vroeg hij aan de heks.

De heks dacht even na en zei toen: “Ik word graag vermaakt. Ik zal hem geven aan iemand die een hele voordeur van een van deze huizen kan opeten.”

De grootste eenhoorn keek naar het huis van drop en zei: “Geen probleem, ik zou een heel huis van drop kunnen eten als ik dat wilde.”

“Dat is niets”, zei de tweede eenhoorn. “Ik zou twee huizen kunnen eten.”

“Het is niet nodig om op te scheppen,” zei de heks. Eet gewoon een voordeur en je mag je Hennie de Aap hebben. ‘

Dirk-jan keek toe en voelde zich erg bezorgd. Hij wilde niet dat de heks Hennie de Aap aan die grote eenhoorn gaf. Hij dacht niet dat Hennie graag met een grote zwarte eenhoorn zou leven, weg van zijn huis, zijn vriendjes en al zijn andere speelgoed.

De andere drie eenhoorns keken toe terwijl de grote eenhoorn zijn slabbetje aandeed en naar het huis van drop liep.

“Ik zal dit hele huis opeten,” zei de grote eenhoorn. “Let maar op!”

De grote eenhoorn brak een hoek van de voordeur van het huis, gemaakt van drop. Hij slikte het glimlachend in en ging terug voor meer,

en meer, en nog meer.

Uiteindelijk begon de grote eenhoorn groter te worden – eerst een beetje groter. Maar na nog een paar hapjes drop, groeide hij uit tot hij leek op een een soort  grote zwarte sneeuwbal,  hij was net zo rond.

“Euh … Ik voel me niet zo goed,” zei grootste eenhoorn.

Plots begon hij te rollen. Hij was zo rond gegroeid dat hij niet meer rechtop kon staan.

“Help!” riep hij, terwijl hij de helling bij de open plek afrolde in de richting van een kreek.

Grote eenhoorn heeft de voordeur gemaakt van drop nooit helemaal opgegeten en Hennie de aap bleef gevangen in de kooi van de heks.

De iets kleinere, tweede eenhoorn  stapte naar voren en liep naar het huis gemaakt van muffins.

“Ik zal dit hele huis opeten,” zei de tweede eenhoorn. “Let maar op!”

De tweede eenhoorn trok een hoek van de voordeur van het huis gemaakt van muffins. Hij slikte het glimlachend in en ging terug voor meer.

En meer, en meer en nog meer.

Na een tijdje begon de tweede eenhoorn er een beetje misselijk uit te zien. Hij werd groener …, en groener….

Toen liep er een houthakker  de open plek op. “Wat doet deze struik hier?” vroeg hij terwijl hij wees op de groen geworden eenhoorn.

“Ik ben geen struik, ik ben een eenhoorn!” zei de tweede eenhoorn.

“Het praat!” riep de houthakker. “Die pratende struiken zijn verschrikkelijk. Ik kan hem beter weghalen voordat iemand er gek van wordt!

“Nee wacht!” riep de tweede eenhoorn, terwijl de houthakker hem oppakte en meenam. De houthakker negeerde zijn geschreeuw en droeg de eenhoorn weg onder zijn arm.

De tweede eenhoorn heeft nooit heel de voordeur van muffins  opgegeten en Hennie de aap bleef gevangen in de kooi van de heks.

De derde eenhoorn stapte naar voren en benaderde het huis gemaakt van Groese paptaart.

“Ik zal dit hele huis opeten,” zei de derde eenhoorn. “Let maar op!”

De derde eenhoorn trok een hoek van de voordeur van het huis, gemaakt van Groese paptaart. Hij slikte het glimlachend in en ging terug voor meer, en meer en nog meer.

Na vijf of zes taartjes begon de kleine aap ter plekke ongemakkelijk aan zijn buikje te friemelen.

Hij stopte even met het eten van de Groese paptaart en nam toen nog een hap.

Maar voordat hij het kon eten, kwam er een almachtig gebrul. Een boer luider dan een raket die opstijgt , kwam uit zijn buik naar boven en duwde derde eenhoorn de lucht in.

“Aggghhhhhh!” riep de derde eenhoorn. “Ik heb hoogtevrees!”

Derde eenhoorn werd nooit meer gezien.

Derde  eenhoorn heeft nooit heel de voordeur van Groese paptaart gegeten en Hennie de aap bleef gevangen in de kooi van de heks.

Piccolo, de aller kleinste eenhoorn van de vier  stapte naar voren en ging naar het huis gemaakt van Zeeuwse Bolus.

“Ik zal dit hele huis opeten,” zei Piccolo. “Let maar op!”

Piccolo trok een hoek van de voordeur van het huis, gemaakt van Zeeuwse Bolus, slikte het glimlachend in en ging terug voor meer en meer en nog meer.

Bij de volgende hap viel het eten echter  uit de mond van Piccolo. Hij probeerde er nog een hand vol Zeeuwse Bolus in te stoppen, maar nogmaals, het eten viel eruit. Er was gewoon niet genoeg ruimte in zijn buikje.

“Dit is gewoon niet eerlijk!” zei Piccolo en stampte boos het bos in.

Piccolo heeft nooit de voordeur van Zeeuwse Bolus  helemaal opgegeten en  Hennie de aap bleef gevangen in de kooi van de heks.

“Dat is het,” zei de heks. “Ik win. Ik mag Hennie de aap houden.”

“Niet zo snel,” zei Dirk-jan. ‘Er is nog één voordeur. De voordeur van het huis is gemaakt van pannenkoek. En ik heb nog geen beurt gehad.

“Ik hoef je geen beurt te geven!” lachte de heks vals.

“Mijn spel. Mijn regels.”

I am the Queen onder de heksen! (hè dacht Dirk-Jan, wat een rare heks)

De zware stem van de houthakker klonk door het bos. “Ik vind dat je hem een ​​kans moet geven. Het is alleen maar eerlijk.”

“Goed,” zei de heks. ‘Maar je hebt gezien wat er met de eenhoorns is gebeurd. Hij zal het niet lang volhouden.’

‘Ik ben zo terug,’ zei Dirk-jan.

“Wat?” zei de heks. ‘Waarom ben je niet ongeduldig? Ik dacht dat je Hennie de aap terug wilde?’

Dirk-Jan  negeerde de heks en verzamelde een flinke stapel stokken. Hij kwam terug naar de open plek en stak een klein kampvuur aan. Voorzichtig brak hij een stuk van de deur van het huis gemaakt van pannenkoek en roosterde het boven het vuur. Nadat het een beetje was gewarmd en daarna  afgekoeld, nam hij een hap. Hij verslond snel het hele stuk.

Dirk-jan ging zitten op een stuk  boomstam dat vlakbij lag.

“Jij faalt!” kakelde de heks. “Je moest de hele deur opeten.”

“Ik ben nog niet klaar,” legde Dirk-Jan uit. “Ik wacht gewoon met mijn eten.”

Toen het eten van Dirk-jan was verteerd, brak hij een ander stuk van de deur af, gemaakt van pannenkoek. Opnieuw roosterde hij zijn eten boven het vuur en wachtte tot het een beetje afkoelde. Hij at het rustig op en wachtte tot het verteerd was.

Uiteindelijk, na verschillende keren, nam Dirk-jan  het laatste stuk van de deur gemaakt van pannenkoek. Voorzichtig roosterde hij het en liet het een beetje afkoelen. Hij beëindigde zijn laatste stuk. Dirk-Jan had de hele voordeur van het huis, gemaakt van pannenkoek, opgegeten.

De heks stampte boos met haar voet. “Je moet me bedrogen hebben!” ze zei. “Ik beloon vals spelen niet!”

“Ik denk het niet!” zei een stem. Het was de houthakker. Hij liep terug naar de open plek en droeg zijn grote hakbijl over zijn schouder. ‘Deze kleine jongen heeft eerlijk gewonnen. Overhandig nu Hennie de aap of ik hak je bezemsteel doormidden.’

De heks schrok erg. Ze greep haar bezem en plaatste deze achter haar rug. Toen opende ze de deur van de kooi en vloog boos weg op haar bezem.

Dirk-jan rende naar de kooi toe en greep Hennie de aap vast knuffelde hem als nooit tevoren en controleerde of zijn favoriete speelgoed in orde was.

Gelukkig was Hennie de aap helemaal ongedeerd.

Dirk-jan bedankte de houthakker, die hem de weg uit het bos wees en haastte zich naar zijn tante  Annie in Cadzand. Het begon al donker te worden.

Toen Dirk-jan bij tante Annie thuis kwam, sloeg hij zijn armen om haar heen.

“Ik was zo bezorgd!” riep Annie. “Je bent heel laat.” Heb je honger?

Dirk-Jan zei dat hij zo  vol zat dat hij  geen ‘pap’ meer kon zeggen.

Daarna beschreef Dirk-jan  zijn avontuur in het bos van Erasmus en hij kon  zien dat tante Annie hem niet geloofde. Dus pakte hij een servet uit zijn zak.

“Wat is dat?” vroeg Annie.

Dirk-jan deed het servet open. “Groese paptaart!” hij zei want hij had toch stiekem nog een stukje eten meegenomen voor onderweg.

Annie viel bijna van haar stoel van schrik en ongeloof.

Dus toch….

Posted on Leave a comment

002 – Alex en Maud, zouden ze…. 

man in de sneeuw
man in de sneeuw

Een kort verhaal van Dre Welsuit

Alex Olsson was altijd dol geweest op het verlaten eiland Camborney met zijn gebouwen met groteske, groene poorten gebouwd ver voor het jaar 1900. Het was een plek waar hij graag vertoefde.

Hij was een gracieuze,  wijndrinker met grote voeten en grote harige handen. Zijn vrienden zagen hem als een stoere minnaar en durfal. Eens was hij zelfs in een koude rivier gesprongen en had een ruige jonge beer gered. Dat is het soort man dat hij was.

Alex liep naar het raam en dacht na over zijn magische omgeving. De sneeuw bewoog als fladderende stukjes confetti in de harde wind.

Toen zag hij iets in de verte, of liever iemand. Het was de figuur van Maud Sparkle. Maud was een innemende vrouw met een grof postuur,  fel gekleurde vingernagels en een lief maar dwingend karakter.

Alex slikte. Hij was niet voorbereid op Maud.

Toen Alex naar buiten stapte en Maud dichterbij kwam, zag hij de fonkelende glinstering in haar ogen.

Maud staarde naar de benauwde blik van Alex door de  smeltende sneeuwvlokken in haar ogen. Ze zei op gedempte toon: ‘Ik hou van je en ik wil gerechtigheid.’

Alex keek achterom, nog sprankelend en nog steeds de gigantische trots aan het verbergen. “Maud, is dat echt goud,” antwoordde hij wijzend op de piercing in haar oor, bedoeld als afleiding van datgene waar het gesprek heen zou moeten gaan.

Ze keken elkaar aan met gemengde gevoelens.

Het leek alsof er  trance-muziek te horen was op de achtergrond.

Beiden leken een ogenblik geheel verdoofd en sprakeloos.

Alex bestudeerde Maud’s voeten, haar piercing en gekleurde vingernagels. Uiteindelijk haalde hij diep adem. “Het spijt me,” begon Alex verontschuldigend, “maar ik voel me niet verliefd op dezelfde manier”. Ondanks alles:”ik hou gewoon niet genoeg van je Maud!”

Maud zag er boos uit, haar emoties waren gespannen.

Alex kon de emoties van Maud eigenlijk wel in duizenden stukjes horen uiteenvallen. Toen haastte de verdroten vrouw zich weg in de verte.

Zelfs een glas wijn zou Alex vanavond niet kalmeren.