Posted on Leave a comment

Pel de dronken kikker

dronken kikker

 Pel de dronken kikker

Een sprookje door Dre Welsuit

Hij was voornamelijk te vinden aan de rand van de sloot van het dorp, de groene kikker Pelophylax  of zoals zijn vriendjes hem noemden omdat ze het een moeilijke naam vonden, Pel.

Pel was geboren aan de rand van het dorp in een klein huisje waar ook zijn vader en moeder en zijn veertien broertjes en achttien zusjes woonden.

Het was natuurlijk altijd erg druk in huize Pel vooral als er gegeten werd.

De moeder van Pel zorgde altijd voor grote borden met  insecten die Pel en zijn broers en zussen maar wat graag aten en als er een feestje of een verjaardag was dan kregen ze vaak ook nog extra wormpjes of als toetje een duizendpoot te eten.

Pel was eigenlijk een heel lieve kikker die altijd graag iedereen in het dorp hielp.

Hij hielp oude kikkermevrouwtjes met het oversteken maar ook kinderkikkertjes als ze uit school kwamen. Hij hielp de bakker met het rondbrengen van het kikkerbrood en als iemand zijn fiets kapot was, hielp hij de fietsenmaker met de fiets  repareren want Pel was naast erg lief, ook heel handig.

Met zijn kleine voorpootjes gaf hij dan de steeksleutel of de baco schroevendraaier aan(materialen die een fietsenmaker gebruikt om een fiets te repareren), aan Flip de fietsenmaker (die eigenlijk Filipeus Moraleas Reparandus heette) die dagelijks vele lekke banden plakte.

Flip was maar wat blij met de hulp van Pel maar ook de bakker en de ouders van de schoolgaande kindertjes waren heel tevreden over hem.



Liefdesverdriet

Toen Pel een puber werd van ongeveer 14 jaar, gebeurde er iets vreemd met hem.

Hij had namelijk langs de weg een fles wijn gevonden en had die omdat hij vond dat de wijn zo lekker was, helemaal leeg gedronken.

Dronken als hij was veranderde hij van een lieve kikker in een heel erg vervelende kikker.

Hij spatte kikkers  nat die in hun mooie  kleren op zondag voorbijgefietst kwamen door keihard in een plas te springen naast hun fiets, waardoor hun mooie kleren vies werden.

Hij gooide het brood van de bakker gewoon in de sloot en bracht het niet naar de kikkers die het besteld hadden bij de bakker. Hij schold andere kikkers uit en wilde naar niemand meer luisteren, ook niet naar zijn ouders.

Nadat hij de eerste keer wijn proefde wilde Pel steeds meer en meer. Hij was verslaafd geraakt aan wijn en al zijn spaargeld gaf hij uit aan flessen wijn, waarna hij na het drinken weer erg vervelend werd in het dorp. De kikkers spaken er schande van. Soms viel hij midden op het dorpsplein in slaap en lag daar snurkend zijn roes uit te slapen of kwaakte midden in de nacht het hele dorp wakker.

Op een dag was hij boven op het dak van de kerk gesprongen en gooide vanaf het dak alle dakpannen naar beneden, naar de kikkers die op het kerkplein stonden. Daar ging Pel natuurlijk te ver. De pastoor die erg boos was op Pel riep de hulp in van Pils de agent met de merkwaardige naam (Pils was een afkoring van zijn naam Pilotus Ignatius Leonardus Servitutus) en die gaf het bevel aan Pel om naar beneden te komen, maar…. als hij gedronken had, luisterde Pel naar niemand dus ook niet naar agent Pils.

Toen het niet lukte om Pel naar beneden te krijgen, waarschuwde Pils de burgemeester.

De burgemeester begreep onmiddellijk het gevaar en gaf brandweerman Jerry Kan de opdracht om met de brandweerauto naar de kerk te rijden en met de lange ladder van de brandweerauto tot aan het dak van de kerk te reiken.

Met loeiende sirene kwam Jerry aangereden en schoof de ladder van de brandweerauto uit tot bij het dak.

Pel was inmiddels moe geworden van het gooien met dakpannen en was op het dak in slaap gevallen.

Veldwachter Pils klom op de ladder en sprong op het dak van de kerk en deed Pel onmiddellijk de handboeien aan en nam hem mee naar beneden.

De kikkers uit het dorp waren heel erg boos en riepen:”in het cachot met hem, in het cachot met hem”, wat betekent dat ze wilden dat Pel naar de gevangenis moest.

Pils nam Pel mee naar het bureau en sloot hem op in de gevangenis.

De volgende dag moest Pel bij de rechter komenen die vond het zo verschrikkelijk wat Pel gedaan had, dat hij hem veroordeelde tot 2 jaar gevangenisstraf.

Pel die al een enorme hoofdpijn had van het vele drinken snapte het eerst niet goed, maar de volgende dag werd het hem duidelijk. Hij zou 2 jaar lang niet meer van de zon kunnen genieten, 2 jaar lang niet meer lekkere vliegjes, spinnen of muggen kunnen eten, laat staan lekkere wormpjes of duizendpoten als toetje krijgen.

In de gevangenis had Pel heel veel tijd om na te denken  over wat hij gedaan had, vervelend doen tegen de kikkers in het dorp, kapot maken van spullen, het gooien van de dakpannen van de kerk. Hoe meer hij er over nadacht, hoe meer spijt hij kreeg.



Baby slaapgeheimen, oplossingen voor vermoeide ouders

In de gevangenis was het erg eenzaam. Drie keer op een dag kreeg Pel te eten van agent Pils, maar dit was altijd alleen maar water en brood. Nooit iets lekkers.

Af en toe kreeg hij bezoek van een rat die in de buurt van de gevangenis woonde en die geregeld kwam kijken of er nog wat brood over was. Herbert de rat werd na enige tijd het enige vriendje die Pel nog had en samen zaten ze vaak urenlang ter praten in de cel van Pel over van alles en nog wat, maar als Herbert Pils hoorde aankomen rende hij vlug weg en was Pel weer een tijdlang helemaal alleen.

Na 2 jaar in de gevangenis van het kikkerdorp, werd Pel eindelijk weer vrijgelaten door agent pils. Wat was hij blij, meteen hopte hij naar de sloot aan de rand van het dorp en deed zich te goed aan allerlei lekkernijen zoals spinnen en muggen en tot zijn grote geluk vond hij ook nog een duizendpoot als toetje.

Toen hij terugging naar het dorp zag hij langs de kant van de weg een fles wijn liggen die half leeg was. Wat zou hij doen? Proeven, een klein beetje maar? Maar nee, Pel had zijn lesje wel geleerd en wilde nooit meer terug in de gevangenis dus pakte hij de fles wijn en kipte hem helemaal leeg langs de weg in het gras en deed vervolgens de fles in de afvalbak in het dorp. De volgende tijd bewees Pel dat hij altijd weer de lieve kikker was die hij altijd al geweest was als hij niet gedronken had. Hij hielp weer de bakker en de fietsenmaker en hielp oude kikkerdametjes oversteken en schoolkikkerkindertjes, zoals hij dat voorheen ook altijd al gedaan had.

Op een dag lag hij weer langs de kant van de sloot nadat hij lekker gegeten had en viel in slaap. Plotseling kwam er een grote schaduw over hem heen. Het was de schaduw van een grote reiger, en zoals iedereen weet, reigers zijn vogels die graag kikkers eten.

De reiger sloop stilletjes dichterbij, voetje voor voetje euh…. eigenlijk pootje voor pootje, kwam de reiger naderbij geslopen en hapte plotseling naar Pel. Op het moment dat hij hapte krijste hij het uit van pijn waardoor Pel wakker schrok en direct wegsprong. Wat was er gebeurd?

Herbert de rat had gezien dat zijn vriendje Pel in gevaar was en was vlug achter de reiger aangelopen. Op het moment dat de reiger Pel wilde opeten, beet Herbert de reiger keihard in zijn poot waardoor de reiger krijste van pijn en snel wegvloog.

Pel en Herbert zijn door hun belevenissen in de gevangenis van kikkerdorp, en doordat Herbert Pel zijn leven gered had, voor altijd vriendjes gebleven.

Posted on Leave a comment

Het Twaalfje Mila

twaalfje
Het twaalfje Mila Een sprookje door Dre Welsuit twaalfjeMisschien heb je ooit wel eens gehoord van het dorpje ‘Nummer Een’. Nummer Een is een dorpje dat ligt aan de Westerschelde tussen Breskens en Hoofdplaat. Vroeger woonden daar grote gezinnen met in totaal ongeveer 300 mensen, tegenwoordig wonen er nog hooguit 100 mensen en dat komt doordat veel van de huizen tegenwoordig het eigendom van toeristen zijn, mensen die daar alleen wonen als ze vakantie hebben.

De man van je dromen krijgen

Waar je misschien nog nooit van gehoord hebt, zijn de twaalfjes. De meeste mensen kennen wel de elfjes uit verhalen van de kerstman en bijvoorbeeld het sprookje van Peter Pan, maar de twaalfjes, daar heeft nog bijna niemand van gehoord. Hoe komt dat? De twaalfje zijn lieve en aardige wezentjes en kunnen net zoveel als de elfjes maar… ze kunnen niet zo snel vliegen als de elfjes, tenminste tot nu toe. Bovendien zijn twaalfjes heel erg verlegen. Mila was een meisjes-twaalfje of een twaalfjes-meisje, ja hoe noem je zo’n twaalfje eigenlijk? In ieder geval was ze jong lief en aardig zoals ook haar vriendinnetjes in wat zij zelf noemden het twaalfjes bos. Het twaalfjes bos is het bos dat vlak bij Nummer Een ligt. Omdat de gewone mensen hun toch niet kunnen horen of zien, kunnen de twaalfjes roepen en schreeuwen wat ze maar willen. Ze maken heel luide muziek op hun gitaren en hun keyboards en vooral veel op hun trommels, waarvan ze er heel veel hebben. Ja, de twaalfjes zijn een muzikaal volkje en ze beleven heel veel plezier aan het maken van muziek. De gewone mensen kunnen hun niet horen of zien behalve als de twaalfjes dat willen, maar honden en katten kunnen de twaalfjes wél horen en zien. Vandaar dat in Nummer Een, soms midden in de nacht een hond begint te blaffen als er weer een twaalfjes feest begint in het bos, of dat een poes heel onrustig wordt en naar buiten wil om te gaan kijken. Mila en haar familie van twaalfjes waren heel tevreden en gelukkig maar er was één ding waarmee ze niet zo blij waren. In alle verhalen van de kerstman, tot allerlei sprookjes zoals Peter Pan, werden de elfjes geroepen als er hulp nodig was. De Elfjes kunnen nu eenmaal razendsnel vliegen en daarmee kunnen ze natuurlijk best iedereen helpen die ze maar willen. Omdat de twaalfjes niet zo snel zijn, werden ze bijna nooit  gevraagd door wie dan ook om te komen helpen terwijl dat hetgeen was wat ze het liefste deden, helpen. Als er ergens problemen waren dan vlogen de elfjes er razendsnel heen en hielpen de mensen en dieren met hun problemen want  ja, elfjes kunnen ook met de dieren praten. Tegen de tijd dat de twaalfjes aankwamen om ook te helpen, waren de problemen meestal al opgelost door de elfjes. Natuurlijk was dat ook lief van de elfjes maar de twaalfjes vonden het niet altijd leuk dat ze niet meer konden helpen. Zo was er in het verleden een hondje met zijn pootje in  prikkeldraad vast komen te zitten. De eigenaar van het hondje was zijn hondje kwijtgeraakt in het bos waar de twaalfjes wonen en was na lang zoeken naar huis gegaan. De elfjes waren alweer aan het helpen toen de twaalfjes aankwamen in hun eigen bos notabene. Met een grote vijl waren ze met elf elfjes aan het vijlen aan de ijzerdraad waar het hondje mee vast zat en net toen de twaalfjes aankwamen, brak de ijzerdraad en kon het hondje weer vrij rondlopen. Oh, ‘dank jullie wel elfjes’ riep het hondje, dat van plezier in het rond rende en gekke bokken sprongetjes maakte. ‘kom, we brengen je naar huis’ zeiden de elfjes en gingen met zijn allen op de rug van het hondje zitten, want zoals jullie weten, elfjes zijn niet groot dus er was plaats genoeg. ‘Komen jullie ook mee’? vroegen de elfjes aan de twaalfjes, want de elfjes en de twaalfjes waren eigenlijk beste vriendjes maar als er hulp geboden moest worden waren de elfjes er toch altijd als eerste bij. Ook de twaalfjes gingen op de rug van het hondje zitten en gingen mee naar het huis waar het hondje woonde. Daar aangekomen drukten ze met zijn allen tegelijk op de bel en vlogen een eindje verderop om te zien wat er gebeurde. De eigenaar van het hondje kwam slaperig naar beneden en deed de voordeur open. Zijn hondje sprong meteen in zijn armen en begon zijn kin te likken. Lachend en blij nam de eigenaar het hondje mee naar binnen en de elfjes en twaalfjes gingen weer naar huis toe. Dit soort verhalen hadden de twaalfjes en de elfjes al vaak meegemaakt met bijvoorbeeld poesjes die niet meer van een dak af durfden te komen of  uit een boom, hondjes die verdwaald waren, kinderen die hun knuffel verloren waren en zelfs met vissen die verstrikt geraakt waren in het plastic in de zee. Spruitjes olie Mira was natuurlijk ook altijd blij als er weer een verhaal goed afgelopen was maar toch wilde ze net als de elfjes, net zo hard kunnen vliegen zodat ook zij gelijk zou aankomen, waar ook maar hulp nodig was. Op een dag was ze samen met haar moeder spruitje aan het koken. Sommige twaalfjes lustten helemaal geen spruitjes, maar Mira was er dol op. Nadat de spruitjes afgekoeld waren, stonden ze op de tafel in het bos van Nummer Een, waar de twaalfjes altijd gezamenlijk aten. Toen er plotseling een windvlaag opstak, viel de pan met spruitjes bovenop Mira. Dat was wel even schrikken natuurlijk. Toen gebeurde er iets vreemds. Mira voelde ineens een kracht die ze nog nooit tevoren gevoeld had. Wat voelde ze zich sterk. Kom ik ga nog een eindje vliegen dacht ze en ze vloog net als altijd weg om een rondje langs het bos te maken. Maar wat was dat, ze vloog wel tien keer zo snel als vroeger. Hoe kon dat? Snel ging ze naar Meester Merlijn, de tovenaar die toevallig op bezoek was bij de twaalfjes. Meester Merlijn is een heel wijze tovenaar en hij onderzocht hoe het kon dat Mila ineens zo hard kon vliegen. “Mila vertel eens wat je de laatste dagen hebt gedaan en gegeten,” zei Merlijn. Mila vertelde van het ongeluk met het hondje en van de spruitjes die op haar gevallen waren. ‘Jofels’! Riep meester Merlijn die heel veel van planten en kruiden afwist, ‘ik weet het’. De spruitjes bevatten een olie die je heel sterk maakt en daardoor kun je veel sneller vliegen, zei hij tegen Mila.

Betere relaties met iedereen

Nadat Meester Merlijn weer weg was gegaan, vertelde Mila het verhaal tegen de oudsten van de twaalfjes. Dan hebben wij de oplossing voor ons probleem riepen de oudsten enthousiast! Ze verzamelden een grote hoeveelheid spruitjes die ze kookten in een grote pot en nadat ze afgekoeld waren knepen ze alle spruitje fijn, waardoor de spruitjes olie er uit kwam. Deze olie werd opgevangen in een grote fles. Ieder twaalfje mocht een beetje van deze olie op zijn of haar vleugeltjes smeren waardoor ze net zo snel konden vliegen als de elfjes. Als er nu ergens problemen zijn met mensen, dieren of vissen, dan komen de elfjes tezamen met de twaalfjes om te helpen en worden problemen nog sneller opgelost. Wat was Mila blij dat de spruitjes per ongeluk op haar gevallen waren, waardoor ze dit ontdekt hadden.
Posted on 1 Comment

De zus van Hildegonda

hildegonda

De zus van Hildegonda

Een sprookje door Dre Welsuit

WALDETRUDIS

Het is nog niet eens zo heel lang geleden dat Hildegonda en Waldetrudis haar zus,  zwommen in de Westerschelde.

Dit verhaal gaat echter niet over Hildegonda, de welbekende zeemeermin uit Waterlandkerkje in West Zeeuws Vlaanderen in Zeeland, maar over haar zus, de minder bekende Waldetrudis.

De zeemeermin zussen zwommen als zeemeerkind graag en vaak in de Westerschelde en in de Noordzee en speelden en riepen naar elkaar maakten gekke sprongetjes boven water zoals dolfijnen dat doen, speelden met de zeehonden met een bal die ze in het water gevonden hadden  en deden allerlei spelletjes zoals dammen met mosselen en kokkels enzovoorts.

Het leven was fijn voor zeemeerminnen en als ze moe waren dan gingen ze op de zandbank voor het dorpje Hoofdplaat liggen om lekker te zonnen en uit te rusten tussen de zeehonden.

De burgemeester van de gemeente Hoofdplaat heeft speciaal een steiger laten aanleggen voor de bewoners, zodat ze met hun verrekijker kunnen kijken of ze zeemeerminnen of zeemeermannen (want die bestaan ook hoor!) kunnen zien liggen op de zandplaat, tussen de zeehonden die daar verblijven.

JACCO

In Breskens, woonde de familie Aalrechts, een vissersfamilie die al sinds vele decennia leefde van de visvangst.

Pa Aalrechts had een eigen schip, de Breskens 286, een van de vele vissersschepen die toen in de haven van Breskens lagen.

Dit verhaal gaat ook over een van zijn 5 zonen namelijk Jacco Aalrechts.

Jacco was inmiddels een stoere  jongen van 18 jaar, zag er goed uit en de meisjes hingen aan zijn lippen als hij een verhaal vertelde meestal over de dingen die hij beleefd had op zee, wat hij graag deed.

Wat hij niet graag deed, was vissen!  Zijn pa vond het erg jammer dat hij het niet graag deed maar natuurlijk moest hij met zijn broers en zijn vader mee uit vissen omdat dat nu eenmaal nodig was om te overleven voor de familie en hem, maar hij deed het zoals gezegd niet graag.

Als het weer te slecht was dan stonden de vissers van Breskens vaak al vroeg in de morgen op de kaai sterke verhalen tegen elkaar te vertellen.

Zo vertelde iemand van die keer dat een enorme octopus midden op de Noordzee hun schip vastgegrepen had en probeerde om het naar beneden te trekken. Het dier trok uit alle macht aan het schip en het schip dobberde heen en weer.

Gelukkig wisten alle vissers dat octopussen niet van zuurkool houden en daarom hadden ze altijd aan dek een pan verse zuurkool gereed staan want ja, je wist maar nooit. Als ze de zuurkool niet nodig hadden gehad op een reis, maakte hun moeder de zuurkool klaar als ze weer thuiskwamen en daarom vonden ze allemaal dat de zuurkool een feestmaaltijd was.

Nu kwam de zuurkool natuurlijk goed van pas. De Oudste broer van Jacco pakte de pan met zuurkool, deed het deksel er af terwijl de octopus aan het schip trok, en kipte in één keer de pan, helemaal leeg in de mond van de inktvis waardoor deze moest braken en daardoor het schip losliet en de vissers konden wegvaren.

OCEAAN STOMER

Een andere visser vertelde op een keer het verhaal dat ze op de Noordzee aan het varen waren en dat ze pech kregen. Door de sterke Noordenwind werden ze naar het midden van de oceaan geblazen en er was niemand om te helpen. Schepen hebben altijd een pistool aan boord waarmee ze een zogenaamde lichtkogel in de lucht kunnen schieten om andere schepen in de buurt te waarschuwen dat ze in nood zijn, maar helaas was ook het pistool kapot. Tot overmaat van ramp kwam er een oceaanstoomboot, wel 10 keer groter dan de boot van sinterklaas, recht op hen afgevaren.

Het schip kwam dichter en dichter en als er een aanvaring kwam zou het vissersschip zeker zinken.

Zo’n groot schip kan niet vlug remmen of opzij gaan dus kwam het in alle vaart recht op de vissersboot af.

Er was  nog maar vijftig meter tussen de oceaanstomer en de vissersboot boot toen er plots een grote walvis in volle vaart op de visboot toegezwommen kwam en het schip opzij duwde zodat er geen aanvaring kwam. De stoomboot heeft toen de vissersboot op sleeptouw genomen en veilig naar Vlissingen gebracht, waar het schip door de reddingsboot van Breskens, veilig de haven in gesleept werd.

Weer een andere visser vertelde het verhaal over de grootste visvangst van zijn leven. Ze waren dagenlang aan het vissen voor de kust van Schotland en er zat zoveel vis, dat ze na een paar dagen moesten stoppen met vissen van de kapitein, omdat hij bang was dat de boot anders zou zinken door het vele gewicht. Blij en vrolijk voeren de vissers terug richting Breskens maar ze voeren doordat de boot zo zwaar geladen was, heel langzaam.

Plotseling, vlak voor de kust bij Vlissingen stak er een storm op wat vaak gebeurd op de Noordzee. Het schip wiegde gevaarlijk heen en weer en om te voorkomen dat het schip  ging zinken en om de bemanning te redden gaf de kapitein opdracht om alle vis overboord te zetten. Zodoende gooiden de vissers alle vissen terug in zee maar gelukkig kwamen ze weer heelhuids aan in de haven van Breskens.

Dit verhaal staat ook wel bekend als een verhaal verteld in het visserslatijn. Visserslatijn zijn vertellingen zoals deze over bijvoorbeeld iemand die een paling ving van wel drie meter lang of een sliptong van hondervijftig kilo. Verhalen in het visserslatijn zijn meestal niet waar!

BIJZONDERE VANGST

Er werd voor ’s avonds slecht weer voorspeld  en de vader van Jacco Aalrechts besloot om toch nog even te gaan vissen, deze keer niet op de Noordzee want dat was te gevaarlijk, maar in de Westerschelde.

Na een half uurtje varen, net voorbij Hoofdplaat lieten ze de netten zakken die ze na 10 minuten weer uit het water haalden. Tot hun grote verbazing zat er niet alleen wat vis in de netten, maar ook een zeemeermin.

Het was een zeldzaamheid dat zeemeerminnen gevangen werden maar af en toe gebeurde het toch wel eens.

De zeemeermin die gevangen was,  Waldetrudis,  was de zus van Hildegonda, de bekende zeemeermin die nog te zien is op het standbeeld dat voor Waterlandkerkje staat. Vol bewondering keken Jacco en zijn broers naar de zeemeermin, die een schoonheid had die onbeschrijfelijk was. Een prachtig figuurtje een lieflijk mondje prachtige ogen en een ongelofelijk mooie staartvin.

“Gooi haar maar in die bak met water,” zei de vader van Jacco, “we gaan terug naar Breskens en verkopen haar in de vismijn, ik ben benieuwd wat ze zal opbrengen”.

Jacco die op slag verliefd geworden was op de prachtige zeemeermin, was niet bij de zeemeermin weg te houden. Ze smeekte om teruggegooid te worden in het water, maar Jacco’s vader wilde haar verkopen dus dat werd niet gedaan.

Jacco werd gek van de gedachte dat Waldetrudis straks in de vismijn verkocht zou worden. Bij wie zou ze immers terechtkomen? Zou ze voor altijd moeten rondzwemmen in een aquarium? Of in een circus tentoongesteld worden?

ONGEHOORZAAM

Net voor ze de haven van Breskens bereikten deed Jacco iets wat niemand ooit van hem verwacht had, maar  ja mensen die verliefd zijn doen wel meer onverwachte dingen.

Jacco pakte de zeemeermin uit de bak met water en gooide haar in het water.

Woest kwam Jacco’s vader uit de stuurhut gerend en wilde Jacco een pak slaag geven maar voordat hij bij hem was, sprong Jacco overboord.

Op het moment dat hij het water raakte veranderde Jacco in een zeemeerman. Dit kwam door de betovering van Waldetrudis.  Iedereen weet dat zeemeermannen nog zeldzamer zijn dan zeemeerminnen.

“Papa”, wees niet boos,” Zei Jacco ik kom terug en samen met Waldetrudis zwom hij weg.

De volgende dag nadat de storm was gaan liggen kwamen Jacco en Waldetrudis de haven van Breskens in gezwommen en spartelden wat naast de boot van Jacco’s vader.

De vader van Jacco, die inmiddels niet meer boos was maar alleen bezorgt luisterde naar wat Jacco te vertellen had.

“Pap,” Ik ben heel gelukkig hier in het water samen met Waldetrudis en ik kan veel voor jou, mam en mijn broers doen”. “Ik weet waar er veel vis zit en zal je helpen om genoeg vis te vangen voor de hele familie”.

En Jacco deed in het vervolg wat hij beloofd had. Als hij wist waar er veel vis zat, zwom hij naar de haven van Breskens en floot met een snerpende hoge toon op zijn zeemeerman vinnen, zoals mensen op hun vingers fluiten. Jacco’s vader wist dan dat het tijd was om te gaan vissen en onder het varen babbelden Jacco en zijn broers graag wat terwijl Jacco langszij het schip meezwom naar de visplaats.

Vooral als het lekker weer is zijn Jacco en Waldetrudis, maar ook Hildegonda, die inmiddels niet met een visser maar met een ‘gewone’ zeemeerman getrouwd is, te zien op de zandplaat voor Hoofdplaat tussen de zeehonden.

Posted on Leave a comment

004 – De Marbuls

knikkers

De Marbuls

Een sprookje van Dre Welsuit

Wat veel mensen nog niet weten of nog niet echt begrepen hebben, is dat er meer leven is in de ruimte dan alleen op aarde. Het heelal is zo onmetelijk groot en er zijn zoveel sterren en planeten dat er meer is wat de mensen niet weten dan wat de mensen wél weten.

Een van de dingen die men inmiddels wel weet, is dat er ook op de maan leven is.

Op de achterkant van de maan, dus die kant van de maan die wij vanaf de aarde niet kunnen zien leeft een…. ja hoe moet ik het noemen, een stam, een volk, een gemeenschap? Ik weet niet hoe je deze groep marbuls noemt maar laat ons zeggen dat het een volk is.

Wat zijn marbuls eigenlijk?

Narbuls zijn wezens die lijken op knikkers. Ze zijn net zo rond en je hebt grote en kleine marbuls.

Een van de vreemde dingen aan marbuls is dat ze je altijd aankijken. Of je nu recht voor ze staat, achter hun, op opzij van hun, ze kijken je altijd recht aan. Ook als er een groep kinderen om hen heen staan, kijken ze alle kinderen tegelijk recht aan, wat wel bijzonder te noemen is. Als je marbuls vasthoudt lijkt het net of ze altijd lachen.

Hoe lang marbuls al leven op de maan, weet niemand, maar men vermoed dat ze er al duizenden jaren wonen.

Geregeld komen de marbuls naar de aarde toe om zich te vermaken, want het enige wat marbuls doen is spelen, zich vermaken en plezier hebben.

Mensen kunnen marbuls nooit bijhouden, zelfs met hun snelste vliegtuigen niet, omdat marbuls zich kunnen verplaatsen met de snelheid van de gedachte.

Wetenschappers weten dat geluid in de ruimte zich heel snel verplaatst en dat licht nog sneller gaat, maar de snelheid van de gedachte, is onmetelijk. Als een marbul denkt nu wil ik op Mars zijn dan is hij er ook, denkt hij nu wil ik op de zon zijn, dan is hij er ook. Marbuls zijn oersterk en kunnen overal tegen behalve tegen een ding…. namelijk azijn!

Als marbuls in aanraking komen met azijn vallen ze onmiddellijk stil en kunnen niets meer uit zichzelf doen, wat heel zielig is natuurlijk.

Het enige wat ze dan nog kan redden is water! Gewoon water uit de kraan of gewoon regen.

De marbuls moeten ook nooit doen wat hun ouders zeggen, ze hebben allemaal een eigen wil en doen wat ze willen, alleen of tezamen met andere marbuls.

Zo gebeurde het dat een groepje van 5 marbuls weer eens aan het spelen was op aarde. Ze waren eerst in New York geweest en hadden daar op het Vrijheidsbeeld gespeeld. Ze waren in de mond van het beeld gaan zitten en toen leek het net alsof het beeld aan het bellenblazen was. Daarna hadden ze nog wat gespeeld in de Sahara woestijn in Afrika en zandkastelen gebouwd en spelletjes gedaan zoals met zand naar elkaar gooien. Dit deden ze echter niet met handen want die hebben ze niet (die kunnen ze wel aan zichzelf denken hoor en dan hebben ze die wel) maar ze gooiden met groten machines waarin ze zichzelf veranderd hadden met grote bakken zand naar elkaar, zaten elkaar achterna, spoten elkaar midden in de Sahara nat en hadden weer een middag veel plezier.

Na de Sahara kwamen ze terecht in Nederland en wel in het plaatsje Schoondijke, in West Zeeuws Vlaanderen.

Ze waren aan het spelen op het water in de kreek achter de molen.

Een van de marbuls had zich veranderd in een bootje en de anderen zaten er in. Een andere marbul die in het bootje zat blies zo hard in het water dat het bootje met een enorme snelheid door het water schoot, net als een speedboot.

Omdat ze alles konden worden wat ze maar wilden, veranderden ze zichzelf om beurten in andere bootjes, zwemmers die op mensen leken, grote vissen en waterskieërs.

Een van hun geliefde spelletjes was om zich in plaats van ronde knikkers, te veranderen in vierkantjes. Een marbul kon wel uit duizend vierkantjes bestaan en met deze vierkantjes bouwden ze dan de mooie gebouwen, Flats, huizen, kerken wat ze maar wilden.

Als hun huis in elkaar viel door bijvoorbeeld de wind, dan veranderden ze onmiddellijk weer in een marbul en als ze tegen elkaar op botsten dan hadden ze ook nooit pijn. Het was zelfs zo dat ze vaak opzettelijk tegen elkaar aanvlogen in de gedaante van een knikker, een vierkant een driehoek, wat ze maar wilden en daarmee hadden ze ook weer veel plezier.

Na het spelen op de kreek achter de Molen van Schoondijke lagen ze even lekker uit te rusten in het gras vlak bij het huis van een van de mensen van Schoondijke. Ze waren zo moe dat ze allemaal in slaap gevallen waren.

Boek een Autovakantie bij Solmar!

De man die daar woonde was het onkruid aan het wieden in zijn tuin die aan de kreek lag. En om het onkruid waar hij moeilijk bij kon komen weg te doen, gebruikte hij azijn. Als hij azijn sproeide over het onkruid, dan was het binnen enkele dagen weg en was zijn tuin weer mooi.

Natuurlijk had deze man niet gezien dat er vlakbij de kreek marbuls lagen te slapen.

Hij kwam langs met zijn tuinsproeier en spoot azijn over het gras en…. over de Marbuls!

Top aanbieding: 5 nummers € 18,95

Nou wisten jullie al dat marbuls niet tegen azijn kunnen en de vijf marbuls veranderden dan ook ter stond in gewone knikkers. Ze konden alleen nog met elkaar praten, niet met mensen want ze konden zich ook niet meer veranderen in wat ze maar wilden.

“Hoe moeten we dit nu oplossen,” zeiden ze tegen elkaar? Want ze wisten niet wat ze moesten doen om weer een gewone marbul te worden. Honger of dorst hadden ze niet want ze aten en dronken nooit om te kunnen leven. Dat hadden ze wel eens voor de lol gedaan maar nu konden ze helemaal niks meer.

‘s Avonds op de achterkant van de maan werden de ouders van deze marbuls erg ongerust want hun kinderen waren niet teruggekomen en waar moesten ze zoeken? Het gebeurde bijna nooit dat kinderen niet op tijd thuis waren om te gaan slapen. Zoeken was voor de ouders onbegonnen werk want ze konden op mars zijn, op venus of pluto, de aarde of op welke planeet of ster dan ook om te gaan spelen.

Natuurlijk gingen alle marbuls helpen zoeken maar het was heel moeilijk om ze te vinden.

Twee dagen lagen de marbuls al in het gras bij de kreek in Schoondijke toen het plotseling hard begon te waaien en te regenen. De molen draaide hard in de wind.

De regen viel met bakken neer en dat was natuurlijk het geluk voor de marbuls.

Door de vele regen werd het azijn van hun  lijfjes  afgespoeld en de eerste die weer kon bewegen veranderde zich in een grote hand en spoelde met het water uit de kreek zijn vriendjes af.

Toen ze allemaal weer gewone marbuls waren zijn ze vliegensvlug terug naar de achterkant van de maan gegaan en wat waren hun ouders blij dat ze weer veilig terug waren!

De les die kinderen hieruit zouden kunnen leren is dat, als ze ooit spelen met knikkers, dan moeten ze die eerst goed afspoelen met water, zodat ze schoon zijn en het kan gebeuren dat het geen gewone knikkers zijn maar marbuls die terug willen naar de achterkant van de maan.

En hoe kun je nou zien of je knikkers hebt of marbuls zul je je afvragen.

Wel dat is heel gemakkelijk. Een knikker ligt gewoon in je hand of op tafel of waar dan ook en daar is niets bijzonders aan maar een marbul kijkt je altijd recht aan waar je ook bent!

Posted on Leave a comment

003 – Reus Bram van Breskens

bram de reus van breskens
bram de reus van breskens
Bram, de Reus van Breskens Een paar jaar geleden gebeurde er in Breskens in West  Zeeuws Vlaanderen iets wat je zou kunnen noemen ‘zeer merkwaardig’. Reeds vele jaren kwam er vlakbij Breskens, bij de vuurtoren van Nieuwe Sluis aan “het zandertje” een enorme Reus vanaf de wal, met zijn hengel vissen. De Reus was een grote liefhebber van vis en viste dan ook elke dag, 7 dagen in de week, omdat zijn  hongerig gevoel maar bleef duren en duren. Elke dag opnieuw kreeg hij een enorme honger en daarom ging hij ook elke dag vissen.

Top aanbieding: 5 nummers € 18,95

’s Avonds na het vissen verdween hij richting Vlissingen en werd een paar minuten later in Rotterdam gezien en de mensen zeiden dat hij vanaf Schiermonnikoog (een eiland in de Waddenzee bij Nederland) naar Denemarken sprong, vervolgens sprong hij naar IJsland en dan weer naar Groenland waar hij woonde. Voor zo’n grote reus duurde het dus niet lang eer hij thuis was. De Vuurtoren De plaats die hij uitgekozen had om te gaan vissen was toch ook wel enigszins merkwaardig. Hij zat namelijk het liefst naast de Vuurtoren aan het zandertje bij Nieuwe Sluis. De vuurtoren was in vroeger jaren gebouwd om de schepen die naar de haven van Breskens voeren, in het pikkedonker ‘s nachts, te voorzien van een lichtpunt zodat de schepen  wisten waar ze zich bevonden en zodoende veilig de haven van Breskens konden bereiken, Dit was een geweldig hulpmiddel voor de schepen natuurlijk, zowel ‘s nachts als wanneer het erg mistig was. Het licht van de vuurtoren scheen altijd als het nodig was. Waar Bram precies vandaan kwam wisten de mensen eigenlijk niet maar ‘men vertelde’ dat hij bij zijn vader en moeder in een torenhoge flat op Groenland woonde. Sommige mensen weten nu eenmaal meer dan anderen. Als kleine reus was Bram wel eens stout en deed niet precies wat zijn papa en mama hem gezegd hadden. Zo kwam het dat Bram in de wereld van de gewone mensen terecht kwam en door een dorp liep. In dat dorp ging hij per ongeluk met zijn grote voet op een auto staan. De auto was meteen zo plat als een euro. Gelukkig zaten er op dat moment geen mensen in die auto. Bram die erg geschrokken was van het voorval, vertelde het thuis tegen zijn ouders. Zijn ouders waren erg boos. “We hebben toch tegen jou gezegd dat je niet door de stad of door de dorpen van de mensen moet lopen?”, riepen zijn ouders tegen hem. Bram wist het natuurlijk wel maar hij was zo nieuwsgierig om te weten wat er in de dorpen of in een stad gebeurde, dat hij het toch deed. Nadat hij voor straf het gras gemaaid had en thuis de afwas had moeten doen, beloofde hij om nooit weer onvoorzichtig door een dorp te lopen. Verder was Bram eigenlijk een heel lieve reus die meestal naar zijn ouders luisterde en in een bijzonder geval had hij bij kerstmis, de kerstman geholpen. Kerstmis Het was kerstmis en dus voor de kerstman de drukste tijd van het jaar. De elfjes hadden met zijn allen geholpen, dagen en dagen lang, om alle cadeautjes  voor de kinderen op de hele wereld uit te zoeken en  in te pakken. Hierdoor waren de elfjes zo hartstikke moe, dat ze op kerstdag bijna geen ‘pap’ meer konden zeggen. Dat was natuurlijk een ramp voor de kerstman want de cadeautjes moesten op deze dag bij de kinderen overal ter wereld bezorgd worden. De kerstman zat te kniezen en te klagen en vroeg zich af hoe het zo ver had kunnen komen dat de elfjes te moe waren om te helpen de pakjes te bezorgen. De ramp voor de kerstman was nog niet compleet want ook zijn rendieren waren ziek geworden omdat ze iets verkeerds gegeten hadden. Geen van de rendieren waar de kerstman normaal gezien mee door de lucht vloog om de pakjes te bezorgen, kon op 1e kerstdag helpen. Gelukkig had een van de elfjes die samen met de kerstman op Groenland woonde, tegen Bram de reus gezegd, wat er aan de hand was. Bram was onmiddellijk bereid om de helpende hand te bieden en stapte naar de kerstman en zei terwijl de kerstman luisterde met vingers in zijn beide oren: ”Ik wil wel helpen, ik breng u overal naar toe en help u om de cadeautjes van de kinderen te bezorgen. De kerstman was maar wat blij geweest met de hulp van Bram en die kerst waren alle pakjes toch nog op tijd bij de kinderen op de hele wereld terecht gekomen. Bang In het begin waren de mensen erg bang toen ze Bram bij de vuurtoren zagen zitten om te vissen. Niet dat hij lelijke dingen deed of zo, maar gewoon omdat hij zo heel erg groot was. Hij was namelijk net zo groot als de vuurtoren! Bram was iemand die heel weinig sprak en dat kwam eigenlijk omdat zijn stemgeluid loei en loei hard was. Ook als hij fluisterde, staken de mensen  hun vingers in allebei hun oren om het geluid van de stem van Bram te verzachten. De mensen uit Breskens en omgeving wisten inmiddels wel dat Bram een lieve reus was en dat kwam door het volgende.

 
De veerboot   Op een dag vertrok de veerboot Vlissingen Breskens, uit de haven van Vlissingen, richting Breskens. Het waaide wel hard maar eigenlijk niet zo hard dat het gevaarlijk was om de Westerschelde over te steken met de veerboot. Echter een stuk voordat de Westerschelde Ferry de haven van Breskens bereikte, stak er een enorme storm op. De mensen op de veerboot werden heen en weer geschud en schreeuwden in paniek om hulp. Al snel dreigde de veerboot te gaan zinken maar Bram, die zo als gewoonlijk bij de vuurtoren zat te vissen had alles gezien en gooide zijn hengel uit naar de veerboot. Het lukte hem om in één keer raak te gooien en de haak van zijn hengel zat vast aan de veerboot, waarna Bram de veerboot in snel tempo naar de kant trok. Toen hij de veerboot aan de kant had, nam hij de boot onder zijn arm en bracht hem veilig naar de veerhaven in Breskens, waar de mensen gelukkig veilig en gezond konden uitstappen. Je begrijp dat de mensen erg dankbaar waren. Iedereen was blij met de ‘reus van Breskens’ zoals Bram altijd genoemd werd om hem niet te verwarren met een notaris die reus heette die in Groede woonde en dat was een meneer die niet zo groot was. (dat was de reus van Groede) Om  te laten zien hoe dankbaar ze waren, voer de volgende dag ( de storm was ondertussen gaan liggen) de hele vissersvloot van Breskens uit om vis te gaan vangen en de vele vissen die ze gevangen hadden gaven ze gratis weg aan Bram zodat Bram eindelijk eens een week vakantie kon nemen, zonder honger te hoeven lijden. De grote vis Op een dag zat Bram weer te vissen bij de vuurtoren en vaak gebeurde het dat hij zomaar ineens een zeemeeuw uit de lucht griste en direct opat met veren en al. Bram at graag zeemeeuw, zoals kinderen graag snoepjes of chips eten. Op die dag had Bram nog niet veel vis gevangen en hij dacht: ”weet je wat?”, in plaats van een klein stukje brood aan de haak van mijn hengel te doen, doe ik er een heel brood aan”. “Ik ben benieuwd wat er dan zal gebeuren.” Zo gezegd zo gedaan, Bram gooide zijn lijn in zee met heel het brood er aan en ging zitten wachten en wachten. Plotseling zag hij zijn hengel met een enorme kracht heen en weer gaan en uit ervaring wist hij dat er dan een vis aan de haak zat. Deze keer echter zat er een vis aan de haak die zo groot en zwaar was, zoals nog nooit iemand zo’n grote vis in de Westerschelde gezien had. (behalve walvissen natuurlijk maar die zwemmen bijna nooit in de Westerschelde!). Uit alle macht begon reus Bram aan zijn hengel te trekken en trekken en opeens met een grote zwaai kwam de vis uit het water en vloog hoog boven in de lucht richting Breskens. Onderweg vloog  de vis rakelings lang een  vliegtuig en de mensen in het vliegtuig waren maar wat verbaasd natuurlijk dat ze zo’n grote vis zagen vliegen. Dat zie je nou eenmaal niet elke dag. Toen viel de vis kilometers naar beneden en kwam midden in Breskens terecht, vlak bij de haven. Hij was met zijn staart naar beneden gevallen en alleen de bovenste helft van de vis stak nog boven de grond uit. Bram liep met een paar stappen naar Breskens toe en probeerde de vis uit de grond te trekken, maar in de vis die inmiddels versteend was doordat hij door de koude lucht heen gevlogen was, was geen beweging te krijgen. Na een kwartiertje proberen gaf Bram het op en ging terug naar de vuurtoren om verder te vissen, Dit keer weer gewoon met kleine stukjes brood. De mensen in Breskens die de vis gezien hadden, waarschuwden de burgemeester. Burgemeester Grijpstuiver van de Gemeente Sluis kwam onmiddellijk met paard en wagen naar Breskens om zelf te zien wat er aan de hand was. Nu zul je denken waarom reed de burgemeester niet met de auto? Wel, dat kwam zo. In de voorgaande jaren was hij vergeten zijn rijbewijs te halen en toen hij eenmaal burgemeester was, had hij door deze drukke baan eenvoudigweg geen tijd meer om zijn rijbewijs te halen. ’s Avonds na 8 uur reden er in de gemeente Sluis geen bussen meer en een tram was al tientallen jaren geleden dat ze die hadden. De mensen uit de gemeente Sluis wisten  dat wanneer  ze de laatste bus naar hun eigen dorp gemist hadden, dan konden ze  de burgemeester bellen en die kwam dan de mensen ophalen met paard en wagen en bracht ze naar huis. Dit kon tot 11 uur ’s avonds want daarna ging de burgemeester slapen. Onderweg werd er door de mensen over van alles en nog wat gepraat en daardoor wist de burgemeester heel goed wat er gebeurde in zijn gemeente. In Breskens aangekomen zag burgemeester Grijpstuiver de vis en rondom de vis stonden inmiddels tientallen mensen. grote vis breskens De burgemeester vond het maar niks, zo’n vis midden in het dorp en omdat hij een meneer uit Rotterdam kende die kraandrijver was, (iemand die een hele grote hijskraan kan besturen) belde hij de volgende dag naar deze meneer en vroeg hem om de vis uit de grond te trekken. De kraandrijver De kraandrijver was eigenlijk een buitenlandse meneer die uit Litouwen kwam, een land dat naast Rusland ligt. Deze kraandrijver werkte meestal in de haven van Rotterdam en kon met zijn hijskraan de zwaarste voorwerpen oplichten, zoals containers geladen met zakken zand of suiker, schepen, zware boomstammen, niets was te zwaar voor zijn kraan.  De kraandrijver was altijd vrolijk en zong altijd hetzelfde liedje als hij aan het werk was. Het was een Engels liedje dat heette:”You’ll never walk alone.” De Litouwer probeerde met een zware  ketting die hij  rond de vis geplaatst had, om de vis uit de grond te trekken. Hoe hij ook trok en heen en weer bewoog met zijn grote kraan, het lukte ook hem niet om de vis uit de grond te krijgen. Inmiddels kwamen steeds meer en meer mensen kijken naar de inmiddels beroemd geworden vis. “Burgemeester, laat die vis toch zitten waar hij zit,” zeiden de mensen tegen burgemeester Grijpstuiver. “Wij vinden het mooi, en kijk eens al die mensen die komen kijken!” Dit is goed voor Breskens. Als zoveel mensen komen kijken, eten ze hier in de cafeetjes een lekker hapje en drinken een glaasje limonade of eten een ijsje. Daar had de burgemeester nog niet aan gedacht en ja soms moet je als burgemeester ook wel een iets doen dat de mensen leuk vinden. Daarom besloot de burgemeester om de vis gewoon te laten waar hij was. Op de jaarlijkse visserijfeesten, een feest dat elk jaar in Breskens plaatsvindt, komen tienduizenden mensen kijken naar de vis en maken duizenden mensen er foto’s van. Ook waren de mensen gaan houden van het liedje dat de kraandrijver uit Litouwen altijd zong: “You’ll never walk alone” terwijl hij aan het werk was en op het volgende visserijfeest zong hij het liedje dan ook op uitnodiging van de burgemeester voor alle mensen door een microfoon. De mensen uit Breskens waren natuurlijk maar wat blij met ‘hun’ Reus en ‘hun vis’. Waar is Bram ? Reus Bram is daarna nog vele jaren gezien aan de vuurtoren maar ineens verscheen hij niet meer. De mensen die altijd meer weten dan een ander, zeiden dat hij een ander visstekje gevonden had, waar hij rustiger kon vissen en waar niet zoveel schepen langs zijn vislijn voeren. Dat is het laatste wat men van reus Bram gehoord heeft, de vis staat echter nog steeds in Breskens en er komen nog steeds duizenden mensen naar kijken.
Posted on 4 Comments

002 – Hagedrakis, Het monster van het Groote Gat

hagedrakis

Het Monster van het Groote Gat

Een vertelling door Dre Welsuit

Velen zijn het alweer vergeten, maar de mensen die het overkwam en die hun familie zijn kwijtgeraakt weten het nog als de dag van gisteren.

Eerst gaan we terug naar het jaar 1432. Het Groote gat stond toen nog in open verbinding met de Noordzee. Mensen vragen zich wel eens af of het monster uit de zee gekomen is en omdat het water naar de zee toe nu is afgesloten, voor altijd in het Groote Gat zal blijven.

In 1432 kwam het monster uit het Groote Gat tevoorschijn en at zeker 20 mensen op. Het waren 5 volwassenen en 15 kinderen. Dit verhaal staat beschreven in de overgebleven boeken uit de bibliotheek van het kasteel ‘Ostburghia’.

 Het kasteel dat aan de rand van het Groote Gat stond is in 1490, Dus een paar jaar voordat Chrisopher Columbus naar Amerika voer, verwoest door de Spanjaarden. De Spaanse linies die in later jaren zijn opgeworpen tegen de aanvallende Spanjaarden, getuigen ervan dat men de oorlogen tegen de Spanjaarden heel serieus nam.

In de zomer als het lange tijd heel droog is en er heel weinig water in het Groote Gat staat, kan men de restanten van het kasteel nog duidelijk waarnemen.

Wat er verder gebeurd is tussen 1432 en 1972 weet niemand zeker omdat alle informatie uit deze periode over het monster is verdwenen. Mogelijk door oorlog vernield of misschien door brand zoals de brand die het kasteel Ostburghia verwoest heeft. Er wordt verteld dat het monster om de 50 jaar opnieuw toeslaat, maar ook dat weet niemand met zekerheid.

Het monster is volgens de vertellingen  een soort kruising tussen een draak en een hagedis, maar dan wel een hele grote. Waar het monster  precies verblijft onder water is niet bekend.

Politie en leger hebben er naar gezocht, maar hebben niets kunnen vinden. Het leger heeft zelfs met een kleine duikboot het hele Groote Gat afgezocht, helaas zonder resultaat. De brandweer van Oostburg heeft geprobeerd door het Groote Gat leeg te pompen, een karwei waar ze met gevaar voor eigen leven wekenlang mee bezig geweest zijn, maar ook zij hebben niets gevonden. Misschien kan het monster zichzelf wel heel erg klein maken waardoor het niet te vinden is, wie weet?

We gaan verder met het bericht uit 1972.

Grote krantenkoppen zoals: “het monster valt opnieuw aan” of wie durft nog in Oostburg te wonen? en  meer van dit soort berichten verschenen in de kranten over de  hele wereld.

In Oostburg werd in 1972 een picknick georganiseerd die plaatsvond vlak bij het grote gat. Honderden mensen namen deel aan deze picknick dus er zijn vandaag de dag nog honderden mensen die het overleefd hebben die het zelf gezien hebben.

De mensen zaten gezellig bij elkaar lekkere hapjes te eten, een glaasje limonade of wijn te drinken toen het monster zijn kop oprichtte uit het Groote Gat. Vlugger dan je kunt knipperen met je ogen sloeg het monster toe. Het monster heeft net als sommige hagedissen een plakkerige tong waaraan een  heel sterke soort lijm zit. Het bijzondere aan die tong is dat hij wel 35 meter lang is!

Kwam het monster af op het lekkere eten dat de mensen bij zich hadden of at het gewoon alles wat eetbaar was? Men weet het niet. In ieder geval sloeg het beest zijn tong uit en griste zo zeker 20 mensen mee het water in om ze op te eten. Net als in 1432 waren 5 volwassenen en 15 kinderen het slachtoffer.

Je kunt begrijpen dat er grote paniek uitbrak onder de mensen die deelnamen aan de picknick.

Mensen brulden en schreeuwden, gooiden met flessen en messen en vorken naar de plaats waar het monster onder water verdween. Daarna vluchtte iedereen snel naar huis en deed de deur op slot.

In de jaren daarna is er heel veel gezocht naar het monster maar niemand heeft het tot de dag van vandaag gevonden.

Op last van de Gemeente Sluis werd het Groote Gat uitgebaggerd omdat men toch wel eens van dit monster af wil zijn. De mensen van Fa. De Feyter die de baggerwerkzaamheden deden hebben daar wekenlang gewerkt met gevaar voor eigen leven maar niets gevonden.

Af en toe verdwijnt er nog wel eens een hond vlak bij het grote gat. Omdat het monster zo enorm snel is kan het zijn dat de eigenaar heel eventjes de andere kant op kijkt, waarna het monster toeslaat. Ook mist de boer die vlakbij het Groote Gat zijn koeien in de wei laat lopen, af en toe een koe. Een paar jaar geleden zijn er een heleboel wilde ganzen verdwenen die aan de rand van het Groote Gat leefden. Kan dit door de Hagedrakis komen? Niemand weet het zeker. Alleen het voorval uit 1972 is zeker omdat er honderden getuigen waren die allemaal hetzelfde verhaal vertelden.

Kinderen van de middelbare school die vanuit de andere dorpen naar de middelbare school ‘Het Zwin College’ komen, gooien soms de boterhammen die ze over hebben,  omdat ze op de markt frietjes gegeten hebben of een hamburger (en hun mama of papa mag dat natuurlijk niet weten), gewoon langs de weg vlakbij het Grote Gat, terwijl dit ten strengste verboden is! Hierdoor kan de Hagedrakis misschien opnieuw gaan toeslaan. Maar ook het eten in de vuilnisbak gooien die langs het grote gat staat door de kinderen die wél netjes omgaan met afval, is een risico. Met hoort het overschot van eten ofwel gewoon mee naar huis te nemen of achter te laten op school maar zeker niet bij het Groote Gat!

Om het de Hagedrakis moeilijker te maken heeft de stichting ‘Het Zeeuwse Landschap” langs heel het Groote Gat gaas geplaatst met daarbovenop een laag prikkeldraad, in de hoop om op die manier de Hagedrakis te beletten om opnieuw toe te slaan want het zou zomaar opnieuw kunnen gebeuren.

Het is natuurlijk beangstigend om te weten dat dit verhaal nog geen einde kent….

kranten
Posted on Leave a comment

001 – Dirk-Jan en de vier zwarte Eenhoorns.

eenhoorn
eenhoorn

Dirk-jan en de vier zwarte Eenhoorns

Een sprookje van Dre Welsuit

In het dorpje Oostburg woonde een  dikke jongen genaamd, Dirk-jan Andeweg. Hij was onderweg naar zijn tante Annie in Cadzand, toen hij besloot een kortere weg te nemen door het bos van Erasmus.

Het duurde niet lang voordat Dirk-Jan verdwaalde. Hij keek om zich heen, maar hij zag alleen bomen. Nerveus voelde hij in zijn rugzak naar zijn favoriete knuffel, Hennie Aap, maar Hennie de aap was nergens te vinden! Dirk begon in paniek te raken. Hij was ervan overtuigd dat hij Hennie had ingepakt. Tot overmaat van ramp begon hij honger te krijgen.

Geheel onverwacht zag hij een zwarte eenhoorn zoals hij die kende uit zijn eigen dorp, verdwijnen achter de bomen.

“Hoe vreemd!” dacht Dirk.

Omdat hij nieuwsgierig was, besloot hij de eenhoorn te volgen. Misschien kon die hem de weg uit het bos vertellen.

Uiteindelijk bereikte de  eenhoorn  een open plek  die was  omringd door 5 huizen, gemaakt van verschillende soorten eten. Er was een huis gemaakt van drop, een huis gemaakt van Zeeuwse Bolus, een huis gemaakt van muffins, een huis gemaakt van Groese paptaart en een huis gemaakt van pannekoek.

Dirk-jan hoorde zijn buik rommelen. Door te kijken naar de huizen kreeg hij nog meer honger.

“Hallo!” riep hij, “Is daar iemand?”

Niemand gaf antwoord.

Dirk-jan keek naar het dak van het dichtstbijzijnde huis en vroeg zich af of het onbeleefd zou zijn om de schoorsteen van dat huis op te eten.   Het zou duidelijk onbeleefd zijn om een ​​heel huis te eten, maar misschien zou het acceptabel zijn om aan een vreemde woning te knabbelen of  te likken, in een tijd van nood.

Een gil sneerde door de lucht en  verschrikt keek Dirk-Jan om. Een heks sprong plotseling van haar bezem  in de open ruimte voor de huizen. Ze had een kooitje mee en in die kooi zat…. Hennie Aap!

“Hennie!” schreeuwde Dirk-Jan. Hij wendde zich tot de heks. “Dat is mijn knuffel!”

De heks haalde haar schouders op.

“Geef Hennie terug!” riep Dirk.

“Nooit or never!” zei de heks, die op de heksenschool naast toveren ook nog Engels geleerd had.

“Laat Hennie tenminste uit die kooi!” smeekte Dirk-Jan die begreep dat de heks de macht over Hennie had.

Voordat ze kon antwoorden, renden vier zwarte eenhoorns de open plek op via een voetpad aan de andere kant van de open plek. Dirk-jan herkende de eenhoorn, die hij eerder had gezien. De heks leek hem ook te herkennen.

“Hallo grote eenhoorn,” zei de heks.

“Goedemorgen” zei de eenhoorn  “en wie is dit?”

“Dat is mijn vriendje Hennie,” legde de heks uit.

“Ooh! Hennie zou er prachtig uitzien in mijn eigen huis. Geef hem aan mij!” smeekte de eenhoorn.

De heks schudde haar hoofd. “Hennie blijft bij mij!”

“Ehhhm … Sorry …” onderbrak Dirk-Jan. “Hennie woont bij mij! En niet in een kooi! En deze heks heeft hem gestolen”

De grootste eenhoorn negeerde hem. “Is er niets waarvoor je voor hem wilt ruilen?” vroeg hij aan de heks.

De heks dacht even na en zei toen: “Ik word graag vermaakt. Ik zal hem geven aan iemand die een hele voordeur van een van deze huizen kan opeten.”

De grootste eenhoorn keek naar het huis van drop en zei: “Geen probleem, ik zou een heel huis van drop kunnen eten als ik dat wilde.”

“Dat is niets”, zei de tweede eenhoorn. “Ik zou twee huizen kunnen eten.”

“Het is niet nodig om op te scheppen,” zei de heks. Eet gewoon een voordeur en je mag je Hennie de Aap hebben. ‘

Dirk-jan keek toe en voelde zich erg bezorgd. Hij wilde niet dat de heks Hennie de Aap aan die grote eenhoorn gaf. Hij dacht niet dat Hennie graag met een grote zwarte eenhoorn zou leven, weg van zijn huis, zijn vriendjes en al zijn andere speelgoed.

De andere drie eenhoorns keken toe terwijl de grote eenhoorn zijn slabbetje aandeed en naar het huis van drop liep.

“Ik zal dit hele huis opeten,” zei de grote eenhoorn. “Let maar op!”

De grote eenhoorn brak een hoek van de voordeur van het huis, gemaakt van drop. Hij slikte het glimlachend in en ging terug voor meer,

en meer, en nog meer.

Uiteindelijk begon de grote eenhoorn groter te worden – eerst een beetje groter. Maar na nog een paar hapjes drop, groeide hij uit tot hij leek op een een soort  grote zwarte sneeuwbal,  hij was net zo rond.

“Euh … Ik voel me niet zo goed,” zei grootste eenhoorn.

Plots begon hij te rollen. Hij was zo rond gegroeid dat hij niet meer rechtop kon staan.

“Help!” riep hij, terwijl hij de helling bij de open plek afrolde in de richting van een kreek.

Grote eenhoorn heeft de voordeur gemaakt van drop nooit helemaal opgegeten en Hennie de aap bleef gevangen in de kooi van de heks.

De iets kleinere, tweede eenhoorn  stapte naar voren en liep naar het huis gemaakt van muffins.

“Ik zal dit hele huis opeten,” zei de tweede eenhoorn. “Let maar op!”

De tweede eenhoorn trok een hoek van de voordeur van het huis gemaakt van muffins. Hij slikte het glimlachend in en ging terug voor meer.

En meer, en meer en nog meer.

Na een tijdje begon de tweede eenhoorn er een beetje misselijk uit te zien. Hij werd groener …, en groener….

Toen liep er een houthakker  de open plek op. “Wat doet deze struik hier?” vroeg hij terwijl hij wees op de groen geworden eenhoorn.

“Ik ben geen struik, ik ben een eenhoorn!” zei de tweede eenhoorn.

“Het praat!” riep de houthakker. “Die pratende struiken zijn verschrikkelijk. Ik kan hem beter weghalen voordat iemand er gek van wordt!

“Nee wacht!” riep de tweede eenhoorn, terwijl de houthakker hem oppakte en meenam. De houthakker negeerde zijn geschreeuw en droeg de eenhoorn weg onder zijn arm.

De tweede eenhoorn heeft nooit heel de voordeur van muffins  opgegeten en Hennie de aap bleef gevangen in de kooi van de heks.

De derde eenhoorn stapte naar voren en benaderde het huis gemaakt van Groese paptaart.

“Ik zal dit hele huis opeten,” zei de derde eenhoorn. “Let maar op!”

De derde eenhoorn trok een hoek van de voordeur van het huis, gemaakt van Groese paptaart. Hij slikte het glimlachend in en ging terug voor meer, en meer en nog meer.

Na vijf of zes taartjes begon de kleine aap ter plekke ongemakkelijk aan zijn buikje te friemelen.

Hij stopte even met het eten van de Groese paptaart en nam toen nog een hap.

Maar voordat hij het kon eten, kwam er een almachtig gebrul. Een boer luider dan een raket die opstijgt , kwam uit zijn buik naar boven en duwde derde eenhoorn de lucht in.

“Aggghhhhhh!” riep de derde eenhoorn. “Ik heb hoogtevrees!”

Derde eenhoorn werd nooit meer gezien.

Derde  eenhoorn heeft nooit heel de voordeur van Groese paptaart gegeten en Hennie de aap bleef gevangen in de kooi van de heks.

Piccolo, de aller kleinste eenhoorn van de vier  stapte naar voren en ging naar het huis gemaakt van Zeeuwse Bolus.

“Ik zal dit hele huis opeten,” zei Piccolo. “Let maar op!”

Piccolo trok een hoek van de voordeur van het huis, gemaakt van Zeeuwse Bolus, slikte het glimlachend in en ging terug voor meer en meer en nog meer.

Bij de volgende hap viel het eten echter  uit de mond van Piccolo. Hij probeerde er nog een hand vol Zeeuwse Bolus in te stoppen, maar nogmaals, het eten viel eruit. Er was gewoon niet genoeg ruimte in zijn buikje.

“Dit is gewoon niet eerlijk!” zei Piccolo en stampte boos het bos in.

Piccolo heeft nooit de voordeur van Zeeuwse Bolus  helemaal opgegeten en  Hennie de aap bleef gevangen in de kooi van de heks.

“Dat is het,” zei de heks. “Ik win. Ik mag Hennie de aap houden.”

“Niet zo snel,” zei Dirk-jan. ‘Er is nog één voordeur. De voordeur van het huis is gemaakt van pannenkoek. En ik heb nog geen beurt gehad.

“Ik hoef je geen beurt te geven!” lachte de heks vals.

“Mijn spel. Mijn regels.”

I am the Queen onder de heksen! (hè dacht Dirk-Jan, wat een rare heks)

De zware stem van de houthakker klonk door het bos. “Ik vind dat je hem een ​​kans moet geven. Het is alleen maar eerlijk.”

“Goed,” zei de heks. ‘Maar je hebt gezien wat er met de eenhoorns is gebeurd. Hij zal het niet lang volhouden.’

‘Ik ben zo terug,’ zei Dirk-jan.

“Wat?” zei de heks. ‘Waarom ben je niet ongeduldig? Ik dacht dat je Hennie de aap terug wilde?’

Dirk-Jan  negeerde de heks en verzamelde een flinke stapel stokken. Hij kwam terug naar de open plek en stak een klein kampvuur aan. Voorzichtig brak hij een stuk van de deur van het huis gemaakt van pannenkoek en roosterde het boven het vuur. Nadat het een beetje was gewarmd en daarna  afgekoeld, nam hij een hap. Hij verslond snel het hele stuk.

Dirk-jan ging zitten op een stuk  boomstam dat vlakbij lag.

“Jij faalt!” kakelde de heks. “Je moest de hele deur opeten.”

“Ik ben nog niet klaar,” legde Dirk-Jan uit. “Ik wacht gewoon met mijn eten.”

Toen het eten van Dirk-jan was verteerd, brak hij een ander stuk van de deur af, gemaakt van pannenkoek. Opnieuw roosterde hij zijn eten boven het vuur en wachtte tot het een beetje afkoelde. Hij at het rustig op en wachtte tot het verteerd was.

Uiteindelijk, na verschillende keren, nam Dirk-jan  het laatste stuk van de deur gemaakt van pannenkoek. Voorzichtig roosterde hij het en liet het een beetje afkoelen. Hij beëindigde zijn laatste stuk. Dirk-Jan had de hele voordeur van het huis, gemaakt van pannenkoek, opgegeten.

De heks stampte boos met haar voet. “Je moet me bedrogen hebben!” ze zei. “Ik beloon vals spelen niet!”

“Ik denk het niet!” zei een stem. Het was de houthakker. Hij liep terug naar de open plek en droeg zijn grote hakbijl over zijn schouder. ‘Deze kleine jongen heeft eerlijk gewonnen. Overhandig nu Hennie de aap of ik hak je bezemsteel doormidden.’

De heks schrok erg. Ze greep haar bezem en plaatste deze achter haar rug. Toen opende ze de deur van de kooi en vloog boos weg op haar bezem.

Dirk-jan rende naar de kooi toe en greep Hennie de aap vast knuffelde hem als nooit tevoren en controleerde of zijn favoriete speelgoed in orde was.

Gelukkig was Hennie de aap helemaal ongedeerd.

Dirk-jan bedankte de houthakker, die hem de weg uit het bos wees en haastte zich naar zijn tante  Annie in Cadzand. Het begon al donker te worden.

Toen Dirk-jan bij tante Annie thuis kwam, sloeg hij zijn armen om haar heen.

“Ik was zo bezorgd!” riep Annie. “Je bent heel laat.” Heb je honger?

Dirk-Jan zei dat hij zo  vol zat dat hij  geen ‘pap’ meer kon zeggen.

Daarna beschreef Dirk-jan  zijn avontuur in het bos van Erasmus en hij kon  zien dat tante Annie hem niet geloofde. Dus pakte hij een servet uit zijn zak.

“Wat is dat?” vroeg Annie.

Dirk-jan deed het servet open. “Groese paptaart!” hij zei want hij had toch stiekem nog een stukje eten meegenomen voor onderweg.

Annie viel bijna van haar stoel van schrik en ongeloof.

Dus toch….